Sociocratie

Met zijn promotie aan de Universiteit Twente op het proefschrift Sociocratie als sociaal ontwerp heeft Gerard Endenburg wetenschappelijke erkenning weten te verkrijgen voor zijn idee. Al sinds 1970 is hij bezig in zijn eigen bedrijf een samenlevingsvorm te creëren die uitzicht biedt op een betere maatschappij. Sociocratie definieert hij als een methode van besluitvorming die een ondergrens hanteert voor de gelijkwaardigheid van ieder die bij het besluit belang heeft. Hij ontwierp een "kringorganisatie' waarin het "consentbeginsel' de besluitvorming regeert. Dit beginsel houdt in dat een besluit pas genomen is als niemand er een geargumenteerd bezwaar tegen heeft.

De theoretische achtergrond van deze organisatieleer lijkt te zijn voortgekomen uit Endenburgs technische opleiding. Die heeft hem geleerd dat je problemen alleen oplost door complementair en naar analogie te redeneren. Het gebruik van metaforen en analogieën brengt hem op het idee van kringprocessen. Hij beroept zich op de cybernetica die leert dat een kringstructuur het enige middel is om een dynamisch proces te sturen. De metaforen waarmee hij zijn bedoelingen tracht duidelijk te maken zijn ontleend aan de techniek, de fysica en de fysiologie. Endenburgs sociale experiment kan met recht social engineering worden genoemd.

Als wetenschappelijke methode wordt deze wijze van redeneren gerechtvaardigd door de wetenschapsfilosoof Charles Peirce, op wie Endenburg zich dan ook beroept. Hij heeft zijn eigen bedrijf beschikbaar voor sociale experimenten om zijn hypotheses te toetsen.

Voor Endenburg is de theorie geen doel op zichzelf, maar een nevenprodukt van "ontwerpend denken'. De concrete werksituatie van mensen is daarbij punt van vertrek en van terugkoppeling. "Daarbij is geen sprake van enige theorie die bij voorbaat de intermenselijke situatie definieert, noch van enige totaalvisie die anderszins dwangmatig oplegt hoe maatschappelijke verhoudingen te evalueren zijn.'

Dit lijkt een bescheiden doelstelling, maar pas op. Endenburgs pretenties zijn namelijk niet gering. Zo wil hij het begrip economie ruimer hanteren dan de economische wetenschap zelf doet. Op zijn definitie, die uitgaat boven het streven naar welvaart met beperkt voorradige middelen, is zijn idee van invoering van een bestaansmogelijkheidsgarantie (BMG) gebaseerd. Dit is een soort basisinkomen, dat ieder individu gedurende zijn hele leven middelen garandeert waardoor zijn bestaan mogelijk wordt, ongeacht deelneming aan het arbeidsproces.

De BMG is, als "maatschappelijke ondergrens', een onmisbare hoeksteen van het sociocratische model. Pas als ieders bestaan gegarandeerd is, ontstaat het "rijk van de vrijheid' om een term van Karl Marx te gebruiken en laten we het "rijk van de noodzaak en van de schaarste', waarmee de gewone economen zich bezighouden, achter ons. In Endenburgs visie bestaat het probleem van de schaarste niet, omdat hij ervan uitgaat "dat er van alles en voor iedereen meer dan voldoende is.'

Je kunt je afvragen waarom Endenburg zo weinig navolging heeft gevonden met zijn ideale organisatiemodel dat hem zelfs dispensatie van de verplichting tot het instellen van een ondernemingsraad in zijn bedrijf heeft opgeleverd. Hij zelf vindt die vraag overigens niet belangrijk, zelfs misplaatst, zoals uit zijn tekst valt op te maken.

Toch zal hij moeilijk kunnen ontkennen dat een verwant sociaal experiment als sociotechniek wel op vrij ruime schaal wordt toegepast, al heeft het tamelijk lang geduurd voor het bedrijfsleven de waarde daarvan als tool of management inzag. Sociotechniek grijpt anders dan sociocratie direct aan op de organisatie van het werk en speelt in op de mogelijkheden die de informatietechnologie biedt om werknemers te laten participeren in de bedrijfsvoering.

Endenburg wil met zijn sociocratie altijd verder reiken: verder dan de democratie met haar meerderheidsbeginsel, verder dan het traditionele gezin als bakermat van autoritair gedrag, verder dan de economische wetenschap met haar schaarsteleer, verder dan de grenzen van het bedrijf, verder ook dan de bestaande machts- en eigendomsverhoudingen. "Het is een sociocratisch principe', zegt hij, "dat een organisatie geen eigendom, geen bezit, van een enkeling of groep kan zijn. Aan eigendom kan geen zeggenschap worden ontleend. Een sociocratisch georganiseerde onderneming kent geen eigenaar in die zin. Zij is een middel waarvoor de mensen die er deel van uitmaken verantwoordelijk zijn. Die mensen beslissen over het functioneren van het bedrijf.'

De gang van zaken bij de overneming van Fokker door DASA heeft ons laten zien hoe het echt toegaat in de grote-mensenwereld. Endenburg verkondigt een leer, die zich bescheiden aandient als invoering van een nieuw organisatieprincipe, maar die toch universele geldigheid claimt. Nu zijn onderzoekprogramma wetenschappelijke status heeft verkregen, kan de sociocratische gedachte worden gered van het sektarisme waarin zij verstrikt dreigt te raken.