Nederland ongewenst bij opening cultureel centrum Madrid; Plannen voor samenwerking gaan roemloos ten onder; "Frans is de enige taal in de Benelux die iedereen verstaat'

MADRID, 24 NOV. De koning en de koningin van Spanje zullen morgen omstreeks het middaguur samen met hun Belgische collega's Boudewijn en Fabiola de opening verrichten van wat nog niet zo lang geleden een uniek project beloofde te worden: het eerste gezamenlijke culturele centrum van de Benelux in het buitenland. Het gebouw is er gekomen; in het centrum van Madrid, fraai gerenoveerd en voorzien van expositieruimtes, vergaderkamers, een theaterzaal, een bioscoop en nog veel meer mooie dingen. Maar de plannen voor Belgisch-Nederlandse samenwerking liggen in duigen; roemloos ten onder gegaan in ondoorzichtig gekonkel van de Spaanse gastheren, Nederlandse voorzichtigheid en het taalconflict dat Walen en Vlamingen verdeelt.

De geschiedenis van de stichting "Carlos de Amberes' is lang en ingewikkeld. Zij begint eigenlijk al in 1594, wanneer de Vlaamse koopman Karel van Antwerpen in Madrid overlijdt en een reeks huizen nalaat die volgens zijn laatste wens als onderkomen moeten gaan dienen voor armen en pelgrims afkomstig uit zijn geboorteland. In 1609 aanvaardt de Spaanse koning het beschermheerschap over deze voorziening en een jaar later heeft men een eigen kerk en een eigen hospitaal. In het begin van de negentiende eeuw raakt de stichting in verval en stort de oorspronkelijke kerk in, maar in 1877 wordt toch weer een nieuwe kapel annex verblijfplaats geopend onder de naam San Andres de los Flamencos.

De beheerders van dit complex besluiten in 1987 hun inmiddels slapende stichting nieuw leven in te blazen en er een culturele doelstelling aan te geven. "Carlos de Amberes' zal, nog steeds onder beschermheerschap van de Spaanse koning, de banden gaan aanhalen tussen Spanje en de landen die vroeger het grondgebied waren van de zeventien provincies: België, Luxemburg en Nederland. Daarbij wordt gedacht aan gezamenlijke bestudering van de historie, de uitwisseling van academici en studenten, de inrichting van een bibliotheek, tentoonstellingen, lezingen, film- en toneelvoorstellingen, concerten en congressen. De kapel van Sint Andries moet dienst gaan doen als centrum voor al deze activiteiten.

Dr. Elena Reina, voormalig docente Spaans aan de universiteit van Leiden, betrok in januari 1989 als eerste directeur van de vernieuwde stichting een kamer in het half-ingestorte gebouw. Ze ervoer al snel dat er overal enthousiasme voor het project bestond. In Nederland, in België en in Spanje. Maar geld was veel moeilijker te vinden. De Nederlandse regering staat op het standpunt dat het minieme budget voor buitenlandse culturele betrekkingen niet aan bouwkosten en exploitatiesubsidies mag worden uitgegeven. De Belgische overheid had al evenmin iets te besteden, maar de Nationale Loterij droeg wel een flinke steen bij. Ook de gemeente Madrid wilde uiteindelijk aan de renovatie mee betalen en het ontbrekende bedrag werd bij een bank geleend. Alleen al de grond waarop San Andres de los Flamencos staat, in de sjieke wijk Salamanca, was immers voldoende onderpand. Dit voorjaar kwam het centrum tot ieders verbazing net op tijd gereed om nog een graantje van "Madrid-culturele hoofdstad' te kunnen meepikken. Vriend en vijand moesten toegeven dat het een schitterend geoutilleerd geheel was geworden.

“Maar wat erin moet gebeuren is onduidelijk,” zegt Elena Reina. “Ze gaan de zalen vermoedelijk verhuren voor feesten en partijen.” Zij nam in oktober vorig jaar op staande voet ontslag wegens hooglopende meningsverschillen met stichtingsvoorzitter Miguel Angel Aguilar. De directrice had contact gezocht met wetenschappelijke en culturele instanties in alle betrokken landen om een programma voor de komende jaren op te stellen, maar de voorzitter hield de programmering liever geheel in eigen hand. Ook over de financiering wilde hij niet al teveel duidelijkheid verschaffen. Hij maakte afspraken waarbij in ruil voor een geldelijke bijdrage het gebruik van het gebouw voor een deel van het jaar uit handen gegeven werd. Een duidelijke begroting was en is er niet.

Daar kwam nog bij dat er plotseling problemen ontstonden tussen Belgen en Nederlanders. “België was bang aan protagonisme te verliezen,” zegt mevrouw Reina diplomatiek. Want al was er in Den Haag dan geen geld voor stoelen en muren, belangstelling voor het gebruik van de ruimte was er volop. “Wij waren en zijn bereid onze culturele en sociale activiteiten in Spanje naar het centrum te dirigeren,” zegt A.J.A.M. Nooij, de Nederlandse ambassadeur in Madrid. De universiteiten van Utrecht en Antwerpen overlegden over het opzetten van een gezamenlijk instituut voor Neerlandistiek in de Spaanse hoofdstad. Bij het ministerie van onderwijs in Den Haag werd daarvoor al geld gereserveerd en ook de Taalunie raakte bij het project betrokken. Madrid met zijn kant-en-klare ruimte zou immers een eerste test kunnen zijn voor Nederlands-Vlaamse samenwerking op het gebied van buitenlands cultureel beleid.

Daarmee zou echter de Nederlandse taal een belangrijke rol gaan spelen in de voormalige kapel van Sint Andries. En dat was, zo zeggen verscheidene betrokkenen, zeer tegen de zin van de Belgische ambassadeur, T. Muûls, een Waal. Na het vertrek van Elena Reina werden alle onderhandelingen met Nederlandse instellingen dan ook afgebroken. Het uiterst magere programma voor de komende tijd bevat wel nog een tentoonstelling over het Brusselse kantklossen, maar geen enkel Nederlands element. Voor de vorige maand gehouden "Karel van Antwerp-lezing' werd de fel-nationalistische premier van de Waalse deelregering, Guy Spitaels, uitgenodigd. Hij sprak uiteraard in het Frans. Maar dat deed ook oud-premier Leo Tindemans, die een jaar eerder in de kapel mocht spreken. “U moet daar echt niets bijzonders achter zoeken,” meent Viviane Brickmanne, de vroegere directeur van de Spaans-Belgische Kamer van Koophandel die inmiddels als "cultureel adviseur' bij de stichting in dienst is getreden. “Het Frans is nu eenmaal de enige taal in de Benelux die iedereen verstaat. Wanneer burgers uit de drie landen samenkomen is het dus logisch dat er Frans wordt gesproken.”

De vorige Nederlandse ambassadeur in Madrid maakte net als zijn Belgische collega deel uit van het bestuur van de stichting Carlos de Amberes. Toen hij begin vorig jaar door Nooij werd opgevolgd, kreeg deze echter geen uitnodiging meer om in het bestuur zitting te nemen. Volgens voorzitter Aguilar is er een “staande invitatie” aan de Nederlandse vertegenwoordiger maar heeft hij er eenvoudig geen belangstelling voor. Nooij zegt liever niet via de pers over het thema te discussiëren, maar wil dit misverstand toch even rechtzetten: hij heeft nimmer een uitnodiging ontvangen en ook niet de indruk dat zijn aanwezigheid bijzonder op prijs wordt gesteld.

Wel heeft hem een verzoek bereikt om zijn invloed te gebruiken voor het werven van fondsen bij het Nederlandse bedrijfsleven. Hij is daartoe ook bereid, maar wil dan wel van de stichting horen wie er welke activiteiten gaat organiseren en hoe de begroting er uitziet waarvoor bijdragen worden gevraagd. Op een schriftelijk verzoek om deze informatie heeft de stichting nooit geantwoord. Dat verbaast de Nederlanders overigens niets. Formeel was ook het Nederlandse koningshuis uitgenodigd voor de opening van het cultureel centrum, die aanvankelijk in mei was voorzien. Wegens de gezondheidstoestand van koning Boudewijn werd het evenement toen afgelast, maar Nederland werd daarvan niet eens officieel op de hoogte gesteld. “Wij zijn hier niet gewenst,” is de conclusie die daarop in Den Haag werd getrokken.

Nooij zal daarom morgen beleefd maar vermoedelijk zonder al te veel enthousiasme de honneurs waarnemen voor de koning en de koningin. Zijn Belgische collega wil er zich desgevraagd niet over uitspreken of hij het plezierig en, gezien de doelstelling van de stichting, wenselijk zou vinden indien de Nederlandse ambassadeur alsnog bij het bestuurswerk zou worden betrokken. Via zijn woordvoerder laat hij slechts weten dat hijzelf nu eenmaal “om historische redenen en wegens de inspanningen door België geleverd” qualitate qua zitting heeft in het bestuur. Nederland moet deze verdiensten helaas tot dusver ontberen.

Niet bekend

Mevrouw Geens ontkent intussen ten stelligste dat de stichting als gevolg van de gebrekkige organisatie in feite al op de rand van het faillisement zou balanceren. “Wij hebben voor 350 miljoen peseta (ruim vijf miljoen gulden) aan schulden,” zegt zij. “Maar het gebouw is achthonderd miljoen waard en we hebben een schilderij dat bij veiling zeker een miljard zou opbrengen. Het enige probleem is de liquiditeit.”

Het schilderij in kwestie is een afbeelding van de heilige Andreas aan het kruis, vervaardigd door Peter Paul Rubens en al eeuwen in het bezit van de stichting. Staande voor dit metershoge doek zullen Boudewijn en Juan Carlos morgen de opening verrichten, sprekend in het Spaans en in het Frans. Volgens sommige betrokkenen is een spoedige verkoop van het schilderij de enige manier om vervolgens het voortbestaan van de stichting Carlos de Amberes veilig te stellen. Dat is in ieder geval makkelijker dan het bereiken van overeenstemming tussen Walen, Vlamingen, Spanjaarden, Luxemburgers en Nederlanders over de bestemming van het gebouw. Want wat de zeventien provincies destijds scheidde, heeft de Europese eenwording nog altijd niet gelijmd.