Journalistiek

Nooit zal ik beweren dat de rol van de media in topsport een te verwaarlozen grootheid is. Ik heb immers ooit mijzelf tegen een Haagse voetbal-international (Theo Timmermans van ADO) horen zeggen, ik citeer: “Ik heb je toentertijd in het Nederlands elftal geschreven, maar als je zo klungelig blijft spelen als de laatste weken, kun je er op rekenen dat ik je er net zo hard weer uitschrijf.” Dat was bedenkelijke grootspraak, maar een echte leugen was het niet, want eind veertiger, begin vijftiger jaren mocht menigeen zich in het Oranje-shirt hijsen dank zij de luidkeelse steun van de sportpers. Rond spelers als Wilkes en Lenstra circuleerden hele polemieken. Onderwerp: moet dit gemakzuchtige genie worden opgesteld, ja of nee? En zo ja, op welke plaats en omringd door welke waterdragers?

Tegenwoordig praten sporters openlijk over hun stapperijtjes, al zullen zij er doorgaans niet bij vertellen hoeveel kelkjes zij hebben geleegd, noch over welk meisje zij zich hebben ontfermd. Maar in 1947 "betrapte' een sportjournalist een nieuwbakken international op een gevorderd uur in een Scheveningse dansgelegenheid. Hij swingde er vrolijk op los, hetgeen de journalist niet aanstond, want het was op een zaterdagavond en de dag erna moest de voetballer met zijn club een belangrijke competitiewedstrijd spelen. Die zondag lette de krantenman extra op het spel van de danseur-van-gisteren. En hij zag, dat de man geen vlekkeloze wedstrijd speelde. Waarop de "escapade' van de rechtsbuiten in de maandagkrant met hulp van een indringende kop den volke zonder barmhartigheid kond werd gedaan. Toch was die journalist geen calvinist, maar wel (even) een moralist.

Een ander moeilijk onderwerp in medialand is, of je alle waanzin die onze kant uitkomt, moet publiceren, hetzij geschreven, hetzij in een microfoon geblazen. Blijkens wat er af en toe te lezen en te horen valt zijn velen van mening dat het om min of meer volwassen mensen gaat, die verantwoordelijk zijn voor hetgeen zij aan hun lippen laten ontsnappen. Op die grond kreeg Romario onlangs zijn wartaal over Westerhof, Linskens en Koeman onder de ogen van het voetbalvolk gebracht. De journalist die die onzin opving, had natuurlijk ook kunnen denken dat zijn "mooie vak' (de uitdrukking is van Hans Meerum Terwogt, lang geleden sportredacteur van dit dagblad) er niet voor was om benedenmaatse nonsens te verspreiden. Hans van Echtelt van het Utrechts Nieuwsblad is die mening eveneens toegedaan. Hij zou, in gesprek met Romario, zijn blocnote hebben dichtgeklapt en de Braziliaan dringend hebben verzocht een dutje te gaan doen. Om de slaap te bevorderen zou hij het fenomeen ook nog enkele aspirientjes in de klamme hand hebben gedrukt.

Anderen denken hier anders over. Ook onzin kan worden geacht "fit to print' te zijn. Persoonlijk zit ik een beetje tussen beide standpunten in. Niet ieders krasse taal hoort in de krant te komen, maar wie het zegt kan bepalend zijn voor al of niet publiceren. Alleen moet er dan, zoals bij Romario's kolderieke uitbarstingen, wel het oordeel van de journalist aan worden toegevoegd. Zodat de lezers niet de indruk kunnen krijgen dat de krant het eens is met de baarlijke nonsens welke zojuist aan het recalcitrante mondje is ontsnapt.