Het land

Bij de opening van de tentoonstelling "De hand van de mens in het landschap' in Tilburg heb ik voorgelezen uit "Een jaar in scherven', over mijn aangenomen grootouders op Herwijnen, mensen van 1880, verhalen van tussen 1920 en 1940, het daglonersbestaan, het rooien van bieten, het schonen van sloten, bloed in hun handen, ijs op hun voorhoofd, de smerige rotklei van de Betuwe, net stopverf.

“Hielden die mensen van het landschap waarin ze leefden?” vroeg naderhand de heer F. Houben, Commissaris der Koningin aldaar.

“Nou en of”, zei ik. “Maar ze zouden het nooit een landschap hebben genoemd. Aan abstracties deden ze niet.”

“En denkt u ook dat ze het mooi vonden?” vroeg hij.

“Nee”, zei ik, “dat denk ik niet.” Voor die mensen, in die tijd gold het eerder biologie dan esthetiek. Zij woonden niet, zij wortelden, ze leefden daar als knotwilgen en nee, ik denk niet dat een knotwilg het mooi beschouwt van de plek waar hij staat.

De heer Houben zelf maakte van de gelegenheid gebruik voor een citaat van Seattle, opperhoofd van de Duwamish in 1855: “Bewaar in uw hart het beeld van het land zoals het was toen u het leerde kennen.”

In uw hart, daar is het veilig.