Franse boeren personifiëren het goede leven

“Laat men ons nu niet meer zeggen dat we de vierde industriële natie ter wereld zijn. We zijn een landbouwnatie. Aan het devies "Liberté, Egalité et Fraternité' kan voortaan beter Ruralité worden toegevoegd. De nationale unie is compleet. We moeten sterven voor La Beauce of kiezen voor ballingschap.” Met dit bijna bittere commentaar distantieerde het Franse dagblad Libération zich gisteren van “de vlucht naar voren van een verzwakte regering en een oppositie die tot nog erger bereid is als ze het maar op de socialisten kan afwentelen”. De krant eindigde met de verzuchting dat de tachtig procent Fransen die niet uit de wereld van de landbouw afkomstig zijn, graag wat beter zouden worden ingelicht over de redenen waarom het gehele vaderland in gevaar is.

De belangrijkste reden lijkt dat premier Pierre Bérégovoy vecht voor zijn politieke overleven. Als de oppositie nu met een motie van wantrouwen zou komen, zal de regering-Bérégovoy die niet overleven, zo is de algemene opvatting in Parijs. Begin juni kwam een motie van wantrouwen, ingediend omdat de regering akkoord was gegaan met de hervorming van het Europese landbouweleid, slechts vier stemmen tekort. De communisten die de socialistische regering "gedogen', stemden toen voor de motie die de rechtse oppositie had ingediend.

Inmiddels zijn vier socialisten uit de Nationale Vergadering vertrokken (onder andere naar de Senaat). Een nieuwe motie van wantrouwen naar aanleiding van het ontwerp-landbouwakkoord tussen de EG en de Verenigde Staten zou zeker de steun van de communisten krijgen en dus de val van Bérégovoy betekenen. Want de natie heeft zich immers achter de boeren gesteld die het akkoord waarover vorige week in Washington overeenstemmig werd bereikt, op voorhand afwezen als een "Amerikaans dictaat'. Vier maanden voor de algemene verkiezingen en de verwachte electorale afstraffing van de socialisten lopen premier Bérégovoy en zijn landbouwminister Jean-Pierre Soisson dus maar zo ver mogelijk voor de muziek van het boerenprotest uit.

De tachtig procent "andere Fransen' zijn eraan gewend dat de boerenlobby verreweg de krachtigste in het land is en een onevenredig groot politiek gewicht heeft. De boeren vertegenwoordigen slechts 4,6 procent van de Franse bevolking boven de achttien jaar. Maar als kinderen, gepensioneerden en familieleden worden meegerekend, evenals niet-boeren die economisch van de landbouw afhankelijk zijn (middenstand, garagebedrijven, veeartsen et cetera) dan is het landbouwelecraat groter: circa twintig procent.

De politieke invloed van dit electoraat is echter onevenredig groter als gevolg van de eigenaardigheden van het Franse parlementaire stelsel. De leden van de Senaat worden via getrapte verkiezingen gekozen door zogenaamde "grote kiezers' zoals burgemeesters van de ruim 36.000 gemeenten die Frankrijk telt. Meer dan een derde van deze burgemeesters waren in 1985 landbouwers. De Senaat is dan ook de vertegenwoordiging van het rurale Frankrijk. In de zogeheten "conseils-généraux', de "parlementen' van de ruim negentig departmenten waarin het land is verdeeld, hebben de vertegenwoordigers van de landbouw eveneens een groot overwicht.

Ten slotte is er nog een bijzondere factor die ertoe bijdraagt dat de politieke invloed van de agrarische wereld in Frankrijk veel groter is dan in enig ander EG-land: de bijna mythologische betekenis van het enorme platteland "waar het leven goed is'. De bevolking van de grote stedelijke agglomeraties zoals Parijs en Lyon bestaat voor een groot deel uit "immigranten' uit het rurale Frankrijk die vaak nog sterke banden hebben met hun plaats van herkomst. De Parijse elite trekt zich in de zomer graag terug in zijn landhuizen, oude familie-eigendommen en "tweede huizen' om bij te komen van de stress die het leven in de stad meebrengt.

Het "diepe Frankrijk' werd vroeger vaak geringschattend afgedaan als de 'woestijn' waar men niet kan overleven. Maar sinds een aantal jaren heeft zich een culturele herwaardering voltrokken, die mede bevorderd is door een zekere culturele expansie in regionale stedelijke centra en het "groene besef' dat frisse lucht, schoon drinkwater en gastronomische lekkernijen een ecologische waarde vormen die niet verloren mag gaan. Dat verklaart ook waarom ook de milieu-partijen "achter de boeren staan'. De "Groenen' bijvoorbeeld verwerpen de mede door de EG bevorderde grootschalige landbouw die in veel opzichten belastend is voor het milieu. De Franse boerenleiders spelen handig in op al deze factoren en zijn zo in staat de "vierde industriële natie ter wereld' voor hun belang te mobiliseren. De regering van Pierre Bérégovoy stormt dus naar voren, de boze wereld tegemoet.