Europese psyche bestaat niet Carnage, new writing ...

Europese psyche bestaat niet Carnage, new writing from Europe. 105 blz. ¢85. Sunk Island Publishing, PO Box 74, Lincoln LN1 1QG England

Toneel altijd stiefkindje Antaeus, Plays in one act. HarperCollins (Van Ditmar), 502 blz. ƒ43,80

Tijdschrift in een kistje De Zingende Zaag 16/17, bewaarnummer in sigarenkist met 11 kunstbijdragen. 100 blz.ƒ30. Postbus 1077, 2001 BB Haarlem, 023-329508

Europese psyche bestaat niet

“Good writing is news that stays news” - het halfjaarlijkse Engelse literaire tijdschrift Sunk Island Review publiceert met Carnage (bloedbad) een aflevering van het front van de Europese verbeelding. “U kent dan wel alle redeneringen over het na-oorlogse, post-Maastrichtse, post-vanalles Europa, maar weet u echt wat de Europese psyche drijft? Wat weet u van de emotionele onderstromen, de conflicten, obsessies en historische katers van de onvergelijkbare naties die ons continent vormen? Lees nu eerst Carnage eens.”

Deze verzameling van verhalen en gedichten van meer dan dertig continentale auteurs, bedoeld voor de Britse lezer, bevat twee of eigenlijk tweeënhalve Nederlandse bijdrage. Van Adriaan Morriën koos samensteller Michael Blackburn "Seaside Silence', met details over zijn eerste, calvinistische levensjaren in IJmuiden. Tom van Deel is aanwezig met twee gedichten, "Evening' en "Names', vertaald door James Brockway - “What flew around my head had come to hand/ in names: redshank, godwit, wren -/ which meant exactly nothing in the end”. Brockway is een halve Nederlander: al haast vijftig jaar werkt hij als schrijver en vertaler in ons land. Ook schreef hij voor het Amsterdamse Handelsblad en de NRC tot hij bij de fusie gewipt werd: “This inelegant behaviour was, in my experience, not untypical of the Dutch, who can always find you when they need you and just as easily drop you when they don't.” "Across there on a Visit', waarmee hij verwijst naar een roman van Isherwood, is een snelle schets van zijn leven hier. “In Holland, I entered homes where you breathed art as a matter of course, took it in with your meat and your wine.” Het meeste klinkt echter, zodra het zakendoen betreft, heel wat negatiever. Nederlanders zijn zeer chauvinistisch hoewel ze dat steevast ontkennen, ze zijn betweterig, en "subsidieerden herhaaldelijk ondeugdelijke vertalingen in andere talen'. “I've always felt something missing in working with the Dutch - the elegant, spontaneous, generous gesture seems to be beyond the reach of most of them, and charm simply beyond their comprehension or dignity.”

Misschien heeft Brockway gewoon gelijk, zeker heeft hij na al die jaren recht van spreken.

Als Carnage ons iets vertelt over de Europese psyche dan is het dat die niet bestaat. Wat verenigt in vredesnaam de Estlandse dichter Andres Ehin met de Catalaan Gabriel Ferrater? Zo veel, toch, dat hun gedichten vaak wat de lezer betreft evengoed door de een als door de ander geschreven hadden kunnen zijn.

Liefde, gemis en vooral oorlog overheersen in Blackburns Europese bloemlezing. Ferrater in "A Small War': “It just meant I was young, like most who go to wars,/ who are scared of the flesh, and destroy and abuse it./ All, in a word, emblematic, eternal.”

Carnage, new writing from Europe. 105 blz. ¢85. Sunk Island Publishing, PO Box 74, Lincoln LN1 1QG England

Toneel altijd stiefkindje

Van tijd tot tijd publiceert het Amerikaanse blad Antaeus, in 1969 opgericht door Paul Bowles, een bijzonder themanummer. Op deze plaats kreeg al eerder (10-9-1991) het nummer "Literature as Pleasure' aandacht. Nu is er een bijna twee keer zo dikke aflevering verschenen, van 502 bladzijden, met uitsluitend eenakters.

Redacteur Daniel Halpern rekent voor de gelegenheid ook een paar dramatische monologen uit langere werken mee die als eenakters te spelen zijn. In zijn voorwoordje verbaast hij zich over het uiterst geringe aantal bloemlezingen van hedendaagse eenakters - “van alle literaire genres heeft toneel wel de minste kans om gepubliceerd te worden”. Maar net als poëzie, betoogt Halpern, wint toneel aan zeggingskracht als het een paar keer rustig gelezen kan worden.

De bekendste van de 43 namen: Edward Albee, Richard Ford, David Hare, Garrison Keillor, David Mamet, Arthur Miller, Joyce Carol Oates, John Osborne, James Purdy, Sam Shepard, Tom Stoppard en Clive Exton, Andrew Vachss, Eudora Welty, Tennessee Williams en August Wilson. Alleen daar waar een strenge waarschuwing voor het afdragen van royalties voor copyright wordt gegeven, in de helft van de gevallen, verstrekt Antaeus enige informatie over ontstaansdata. De gekozen teksten zijn voorzover na te gaan niet ouder dan een jaar of tien.

Edward Albee publiceert hier een stuk dat hij vijf jaar geleden uit voorzorg uit de produktie haalde, omdat er net een ander stuk off-Broadway ging met eenzelfde soort achtergrond en bezetting. De toneelschrijver had geen zin in plagiaatbeschuldigingen van al te gretige journalisten, dus wachtte hij rustig een paar jaar tot het andere stuk van de planken was en in druk verschenen. In 28 bladzijden laat Albee acht personages een zonnig middagje op het strand voor elkaar tot een ware opgave maken door van die achteloze opmerkinkjes die heel diep snijden. Alle verhoudingen verzuren ter plekke. “I have felt fear in the plains, panic in a church, claustrophobia in the mountains, tearing loss at Christmas with all my lovies around me, implausible sadness on a lovely day, but only here, where the earth and water meet, do I feel this... tristesse.”

De 43 toneelteksten hebben zo op het eerste gezicht weinig met elkaar gemeen, afgezien van het genre. Misschien heeft Halpern geprobeerd een zo breed en gevarieerd mogelijk overzicht te geven, misschien ook vertoont het Amerikaanse toneel gewoon erg weinig eenheid. Of het moest dat absurdistische trekje zijn. Trek, in sommige gevallen.

In alle Nederlandse literaire tijdschriften samen verschijnt bij lange na niet eens per jaar een toneeltekst. Met deze Antaeus kunnen de liefhebbers nu wel even vooruit.

Antaeus, Plays in one act. HarperCollins (Van Ditmar), 502 blz. ƒ43,80

Tijdschrift in een kistje

Gaat dat zien, ruiken, voelen, lezen: De Zingende Zaag vestigt met een dubbelnummer in een sigarenkist waarin ook nog elf kunstwerkjes zitten, definitief zijn reputatie als het origineelste literaire tijdschrift van Nederland. Je kijkt je ogen uit, bijvoorbeeld naar een "tekstening' van Leo Vroman ("staat er wat er staat waterstaat'). Op de sigarendoos staat "De parabel van de kringloop'. Een heuse banderol zegt in een ouderwets lettertype iets over de inhoud. Vormgever Thomas Widdershoven legt in het sober uitgevoerde tijdschriftje dat in de doos zit uit hoe dit "ecologisch nummer' tot stand kwam. “De grootste ideologische ramp is dat er diersoorten uitsterven en daarom wil ik een Zaag maken met de bontste populatie denkbaar. In een sigarenkistje kunnen we alles bij elkaar brengen en bovendien: ecologie is bewaren en een sigarenkistje is een bewaarmiddel bij uitstek.” Met hulp van Hajeniusdirecteur Visser en zijn oude Washingtonsigarenfabriek in Hippolytushoef, waar tien jonge kunstenaars een greep mochten doen in de vellen drukwerk van vroeger, werd de Zaag-kist gemaakt. De kunstwerkjes van dit sigarenmateriaal - bandjes, plaatjes, zakjes, tabaksblad - zijn gemaakt bij gedichten die weer in het tijdschrift staan. Zo moet de lezer, kijker, voeler en ruiker zijn zintuigen gebruiken maar ook zijn verstand en geheugen (of is dat hergebruik?). Er wordt ruim heen en weer en gelukkig ook naar buiten verwezen in deze kunst- en literatuurkist. Alleen Kees Oosterbaan hergebruikte geen gedicht, maar zichzelf, en depte met een katoenen doekje voorzien van het woord "zweet' iets op, waarna hij het lapje nummerde. Jacqueline Elich maakte op F.W. Haghenaars gedicht "Wij zagen' een collagetje van o.a. een entreekaartje, tabaksblad, een sigarebandje ("stemt tevree, abonné'), tekeningen en tekst; Kate Wilkinson bedrukte beide zijden van een spinnewebpapiertje met een gedicht van Lorca en vissen; Christine Rothuizen zette een toepasselijk gedicht van Ter Balkt op een gedraaid geel papierstrookje waardoor opeens een wonderlijk klein geheel ontstond. Louis Ferrons gedicht "Rostock' gaf Marianne van Ham de ingeving eenvoudig maar doeltreffend een rood-wit-blauw strikje (met speld) in een zakje te doen.

Het tijdschrift opent met een uitbundige felicitatie aan het adres van de Nobelprijswinnaar voor literatuur Derek Walcott ("Te veel dichters schrijven poëzie zoals de gemiddelde sigarenroker, voor hun genoegen. Ze denken er niet over tot in de vuurzee te gaan'), waarin George Moormann niet de poëzie als bedreigde diersoort bestempelt ("die is eeuwig') maar de mens. De helft van het blad is gevuld met gedichten (Mesterom over koelies op Deli: “Die waren al de sigaar/ lang voordat wij tabak van ze kregen”). In het nieuwe gedeelte "Trekzaag' kan gepolemiseerd worden. Chrétien Breukers pakt de draad op van Jan Kostwinder (Zaag 15) en Gerrit Komrij (NRC Handelsblad 30-9-'92) over poëzie, de marge en de angst van uitgevers. Redacteur Moormann: “Moet de poëzie in haar programma verregaand rekening houden met het publiek? Nee, juist terwille van de afwisseling is er plaats voor iedereen: voor de exentriker, voor de dompteur en voor de evenwichtskunstenaar. (-) De poëzie, dat is circusbloed en uiteraard is dat een marginaal goedje.”

De Zingende Zaag 16/17, bewaarnummer in sigarenkist met 11 kunstbijdragen. 100 blz.ƒ30. Postbus 1077, 2001 BB Haarlem, 023-329508