Europese Gemeenschappen (EG); Het Franse veto in de EG

Steeds als het spannend wordt in de Europese besluitvorming is er wel een minister die zich beroept op het Akkoord van Luxemburg en dreigt met een veto. Gisteren was het weer zover. De Franse premier Bérégovoy noemde het landbouwakkoord met de Verenigde Staten “onaanvaardbaar” en waarschuwde: “Als alle mogelijkheden uitgeput zijn zal Frankrijk tot het eind van zijn weigering gaan.” Maar de status van de meer dan 25 jaar oude Luxemburgse tekst is verre van duidelijk - akkoord over een vetorecht waren de EG-landen destijds in elk geval niet.

Zuiver juridisch gezien heeft Frankrijk geen veto om mee te dreigen. Over handelsverdragen met andere landen, zoals het naderende GATT-akkoord, wordt door de Europese Commissie onderhandeld en vervolgens door de EG-ministers met gekwalificeerde meerderheid beslist. Zo staat dat in het EEG-verdrag. In dat verdrag, noch in de Europese Akte, noch in het Verdrag van Maastricht komt een Akkoord van Luxemburg voor.

Bij stemmingen met gekwalificeerde meerderheid hebben de grote lidstaten elk tien stemmen, Spanje heeft er acht, Nederland, België, Griekenland en Portugal elk vijf, Denemarken en Ierland elk drie en Luxemburg twee. Er zijn 54 stemmen nodig om een besluit te nemen. De Franse regering moet voor een blokkade dus steun zoeken bij bijvoorbeeld Duitsland en Denemarken, waar de boerenorganisaties overigens ook woedend zijn over het vrijdag gesloten akkoord.

Dat is de theorie. Wat is dan "Luxemburg'?

Hier volgt de tekst: "Wanneer in het geval van besluiten die met meerderheid van stemmen kunnen worden genomen zeer gewichtige belangen van één of meer partners op het spel staan, zullen de leden van de Raad trachten binnen een redelijke termijn tot oplossingen te komen die door alle leden van de Raad kunnen worden aanvaard. Met betrekking tot het voorgaande meent de Franse delegatie dat, wanneer het om zeer gewichtige belangen gaat, de discussie voortgezet zal moeten worden totdat men algemene overeenstemming heeft bereikt. De zes delegaties constateren dat een meningsverschil blijft bestaan over hetgeen gedaan zou moeten worden ingeval geen volledige verzoening der standpunten zou kunnen worden bereikt. De zes delegaties menen niettemin dat dit meningsverschil de hervatting van de werkzaamheden der Gemeenschap volgens de normale procedure niet verhindert.'

Dit "compromis' dateert van januari 1966 (toen de EG geen twaalf, maar slechts zes leden had). Volgens het verdrag waarmee de Gemeenschap in 1957 was opgericht zouden vanaf dat jaar Europese besluiten bij meerderheid kunnen worden genomen. Maar de Franse regering onder leiding van generaal De Gaulle wilde bij nader inzien toch vasthouden aan besluitvorming bij unanimiteit. Toen zij inwilliging van deze wens voorwaarde had gemaakt voor een akkoord over de financiering van de landbouwpolitiek, was een crisis ontstaan die ertoe leidde dat de Fransen hun deelname aan de Europese besluitvorming opschortten. De oplossing van de crisis, na een halfjaar, was het Luxemburgse compromis: een agreement to disagree.

Het Algemeen Handelsblad concludeerde destijds dat “het Europa van de federalisten en dat der Vaderlanden beide in de ijskast zijn gezet. Daarvoor in de plaats is het Europa der berusting gekomen.” De Volkskrant schreef dat “de supranationale opzet van de EEG een flinke deuk lijkt te hebben gekregen”.

De besluitvorming bij meerderheid, zoals die in het verdrag was vastgelegd, bleef een dode letter. En van de voltooiing van de interne markt in 1970, zoals dat volgens het verdrag zou gebeuren, kwam weinig terecht.

Geen wonder dus dat toen halverwege de jaren tachtig de Europese Commissie de weg naar het "Europa zonder grenzen' opnieuw uitstippelde, de besluitvorming bij meerderheid met de Europese Akte voor een aantal onderwerpen in ere werd hersteld. Het Akkoord van Luxemburg werd in de Akte niet genoemd.

Betoogd kan worden dat het compromis daarom voorgoed van tafel is. Anderzijds is duidelijk dat het draagvlak voor "Luxemburg' met de toetreding van Groot-Brittannië en Denemarken alleen maar is gegroeid. Beide nieuwe lidstaten hebben er sinds hun toetreding in 1973 geen twijfel over laten bestaan dat zij menen over een vetorecht te beschikken.

Wat de juridische status ook mag zijn, politiek leeft "Luxemburg' in elk geval nog steeds, zo kan deze week weer worden vastgesteld. Van het veto-"recht' wordt zo min mogelijk gebruik gemaakt: alle deelnemers beseffen dat de besluitvorming anders tot stilstand zou komen, en dat is in niemands belang. Maar het draagt wel bij aan het EG-gebruik bij voorkeur alleen besluiten te nemen waarmee iedereen instemt. Ook al vergt dat eindeloze onderhandelingen, het combineren van verschillende besluiten tot één pakket met voor elk wat wils, of peperdure compenserende maatregelen. Eens kijken wat de Gemeenschap voor de boeren in petto heeft.