Een taboe minder

DE AANSLAGEN in Mölln gisternacht betekenen in twee opzichten een escalatie van het extremistische geweld tegen buitenlanders in de Bondsrepubliek.

In deze gemeente in Sleeswijk-Holstein waren niet pensions voor asielzoekers het doelwit, zoals voorheen in andere plaatsen, maar de woonhuizen van sinds lang in Duitsland gevestigde Turkse families. Ook was er geen sprake van een wekenlang opgevoerde en door de plaatselijke autoriteiten veronachtzaamde spanning die zich, zoals deze zomer in het Oostduitse Rostock, ontlaadde met instemming van een deel van de burgerij. De aanval was een koele en berekende en op zichzelf staande daad waarvan de gevolgen, vergezeld van de Hitlergroet, telefonisch en beheerst werden meegedeeld aan de politie.

Het Duitse publiek en de Duitse autoriteiten hebben met afgrijzen op de wandaad gereageerd. In Mölln zelf, maar ook elders werden betogingen gehouden uit protest tegen de zich in heel Duitsland manifesterende gewelddadigheid. Vreemdelingen, joodse gedenktekens en personen die tegenover "skinheads' van hun anti-nazigevoelens blijk geven zijn daarvan het doelwit. De karakteristiek van vandalisme schiet al maandenlang tekort om het angstaanjagende verschijnsel van het herlevende "Blut-und-Boden'-fetisjisme aan te duiden. In de woorden van kanselier Kohl wordt het nieuwe Duitsland hier te schande gemaakt. Het beroep dat deze ontspoorde jongeren ter rechtvaardiging van hun misdaden doen op het mensonterende nazi-verleden, markeert de vertwijfeling van goedwillende burgers en autoriteiten. Het "nie wieder' verliest zijn glans.

ANDERS DAN na de incidenten in Hoyerswerda en Rostock en Duisburg en Greifswald en Langenau en Balingen waar asielzoekers het slachtoffer van rechts-extremisme waren, tonen de federale autoriteiten behalve verontwaardiging inmiddels een begin van daadkracht. De federale justitie heeft het onderzoek naar de gebeurtenissen in Mölln aan zich getrokken nadat in voorgaande gevallen was gebleken dat de plaatselijke justitiële instanties nauwelijks vorderingen maakten. Hoewel federalisering van het gerechtelijke onderzoek en het inzetten van speciale politiële opsporingseenheden door de extremisten zal worden opgevat als een welkome erkenning van hun invloed en betekenis, moeten de maatregelen toch worden toegejuicht. Waar het gaat om wijdverbreide, maar onder een politieke noemer te brengen misdaden zijn ook een verbreding en verruiming van de tegenactie op hun plaats. Opsporing en berechting zijn de wapens die de rechtsstaat ter beschikking staan.

Iets anders is het met betrekking tot de roep om een verbod van rechts-extremistische organisaties. Organisaties waarvan de leden zich als zodanig aan geweld en vernieling hebben schuldig gemaakt, komen zeker voor een verbod in aanmerking. Maar rechts-extremisme is een rekbaar begrip en het zou politiek onverstandig zijn groepen personen de illegaliteit in te drijven die als zodanig dan wel individueel zich niet aan gewelddadigheid hebben overgegeven - hoe verbijsterend hun ideeën verder ook mogen zijn. Gekozen vertegenwoordigers van rechtse partijen zijn al door collega-politici beschuldigd van medeplichtigheid aan de wandaden. Maar dergelijk geschiet in het duister helpt de Duitse samenleving niet verder.

VANZELFSPREKEND wordt in Duitslands buurlanden met grote oplettendheid gevolgd hoe de Duitse samenleving als geheel reageert op wat de Frankfurter Allgemeine noemt “het wegnemen van het taboe van de nationaal-socialistische ideologie”. Met afgrijzen, blijkt, en dat vormt een zeker tegenwicht tegen de herrijzenis van de spookbeelden uit een overwonnen geacht verleden.