De Nederlandse cultuur en het Verdrag van Maastricht; Verkeerd ware het te veronachtzamen dat cultuur moet leven; Wij oriënteren ons op de wereld en isoleren ons provinciaal

Het ziet ernaar uit dat de weg naar grotere eenheid van Europa, die reeds lang werd ingeslagen, nog verder zal worden afgelegd, zij het dat zulks tot op heden met meer vallen dan opstaan geschiedde. Er rees niet enkel economisch bezwaar of juridische bedenking. Ook zij aan wie brede en rijke cultuurgroei ter harte ging, voelden aarzeling. Zou het proces van sterke zakelijke gebondenheid aan industrieel, agrarisch of mercantiel en financieel krachtige staten op te betreuren verlies of laakbare zelfhandhaving der nationale culturen uitlopen? Een speciale culturele bespiegeling heeft daarom voor ons land zin, al is het Deense verzet niet het onze en bewonderen wij evenmin Engelands vertragend gespartel.

Er heerst in het algemeen afkeer om zichzelf als volk of volksgroep op achterstand te laten zetten. Dus zal een schielijk prijsgeven van geestelijk eigengeaardheid in het verkeerde keelgat schieten en daarentegen het zich cultureel mainteneren in ruimer of enger kader een willig oor vinden. Zelfhandhaving bevalt waarschijnlijk het best. Nederlanders zijn er niet op gebrand dat men hun de kaas van het brood poogt te eten. Een belegd kadetje zou in een voor ons koninkrijk speciaal ontworpen logo gevoeglijk kunnen worden verwerkt. Ik geef dit gratis advies als blijk van mijn burgerzin, terwijl grote ondernemingen die kennelijk in het geld baden, voor een vermeend aanlokkelijk embleem met belangrijke bedragen over de rand van hun financieel bassin spetteren, ofschoon het risico aanwezig is dat te gelegener tijd een dartel directielid het lot van het verspilde badwater deelt. In elk geval loopt de weg naar ons nationaal hart door de maag. Dit laatste moet niet eenzijdig met een plat materialistische bevrediging van animale behoeften in verband worden gebracht. Wij denken bij cultuur te uitsluitend aan het meer verheven leven van de geest, ons blindstarend op de overigens onloochenbare waarheid dat nimmer een cultuurbeleid door oedeemlijders kan worden ontwikkeld.

Voor een bepaling van wat cultuur is, bedien ik mij, zoals ik vaker deed, van de omschrijving: “verantwoorde levens- opbouw op het fundament van beheersing der natuur”. Aldus is er ruimte voor allerhande wetenschappen - niet enkel die van de geest - en is er ruimte voor de kunst in elke vorm; zo verdringt het ballet de volksdans in genen dele. Primitieve hunebedden leiden geen verwaarlozing naast mausolea, die ten onzent overigens afwezig zijn. Er kan gedacht worden aan kerken, aan openbare gebouwen, aan fortificaties, aan parken, aan waterstaatswerken - een diep in onze geschiedenis wortelende specialisatie -, aan fraaie industriebouw, aan geslaagde "uitleg' van steden en dorpen. Ik zwijg over faliekante mislukkingen: over al dan niet blikkerende doodskisten, die als krantenpaleis of als hotel dienst doen, over een collage van kantoorblok en speelkas, de Stopera, in de hoofdstad, alsmede over de ommuurde karakterloze ruimte, welke toeleidt tot de vergaderzaal der Tweede Kamer in de hofstad.

Verkeerd ware het te veronachtzamen dat cultuur moet leven, dat het zaak is aan haar te bouwen, dat zij als het ware adem haalt in veelsoortige bedrijvigheid, dat zij structuren vertoont, lagen bevat. Ik noem een paar markante vraagpunten. Openbaart er zich sociale samenhang in een volk of zijn er slechts schrijnende tegenstellingen, niet te keren verpaupering, de afhaking van hele groepen bij het zich verzekeren van een geregeld bestaan? Biedt het onderwijs voldoende kans dat de middelmatige leerlingen zich redelijk kunnen ontplooien, dat de minder begaafden niet worden teruggedrongen, dat jongelui, die getalenteerd zijn geen prooi worden van verveling of erger nog, door veelzins schoolse aanpak verflensen? Deze dingen bepalen een cultuur, een cultureel streven.

Het wordt ook zaak de Nederlanders zelf naar voren te halen. Dit kan het best gebeuren door iemand die niet op een provinciale politieke kandidatenlijst prijkt, want hij zou er bij onbewimpeld spreken snel worden afgegooid. Wij verschillen onderling. Limburgers en Noordbrabanders worden niet graag verwisseld. Een Drenth is geen Zeeuw, al delen ze misschien heel merkwaardige opinies over de Eerste Kamer. Friezen en Groningers bewilligen in elkaars bestaan, maar over het Fries en het Saksisch hebben zij een soms ook in intensiteit - er zijn "diep-Friezen' - verschillende opinies. Achterhoekers hebben de faam wanneer zij "jaja' zeggen "neen' te bedoelen, zo ongeveer als met bepaalde Engelse conservatieven het geval is, wanneer de Europese munt aan de orde wordt gesteld. Amsterdammers en Hagenaars in dezelfde kazerne of op één tribune vertonen nogal eens, zonder dat ze dadelijk met pitbullterriërs zijn te vergelijken, tekenen van agressie. Van Rotterdammers zwijg ik, daar ik, geboren in de Maasstad, ervan doordrongen ben dat goede wijn geen krans behoeft.

Om het verwijt te ontgaan de kool en de geit te sparen, maak ik - zij het vluchtig - een enkele opmerking over onze plurale samenleving. De van huis uit niet-Nederlandse bevolking op ons grondgebied groeide pijlsnel met wijd-uitwaaierende gevolgen. Nadrukkelijk stel ik vast, dat voorzover bij deze pluraliteit van uiteenlopende culturele patronen uit hoofde van religieuze of levensbeschouwelijke opvatting sprake is, door de staat de ruimst mogelijke vrijheid moet worden gegund, wat bovendien, daar zulks grondwettelijk gewaarborgd is, ook gemakkelijk realiseerbaar blijkt. Onderwijs mag niet worden gebruikt om geestelijke heerszucht uit te vieren. Bij moeilijke aanpassing wordt het zaak in onderling begrip botsingen zoveel mogelijk te vermijden. Ondoenlijk zal het blijken om elk conflict te omzeilen. Een democratie gunt inmiddels ieder het zijne, tracht waar nodig te bemiddelen, zal daarnaast soms zonder zich star te tonen, als bewilliging in het onaanvaardbare zou worden verlangd - de irreële casus van mensenoffers, het reële geval van besnijdenis van meisjes -, een duidelijke lijn trekken.

Zij ontziet grotere en kleinere minderheden, te zelfder tijd zich gerechtigd achtend ook van hen enige aanpassing te vergen. Volledige staatsonthouding is uitgesloten. Bij het zoeken van gelijkberechtigdheid en weren van discriminatie zal de overheid attent zijn op kerkelijk en humanistisch imperialisme, echter evenzeer op intolerantie onder aanhangers van niet-christelijke religies, al of niet leerstellig verdedigd.

In hoeverre onze culturele eenheid als volk aan hechtheid heeft ingeboet, acht ik lastig uit te maken. Wij oriënteren ons op de wereld en isoleren ons provinciaal of lokaal; wij erkennen ieders betrekkelijk gelijk en luisteren tevens alleen naar onze naaste omgeving of naar onszelf; wie is er niet gedeeltelijk in zijn optreden monomaan? Beslist is er van bestaansverrijking sprake, welk begrip ook zuiver financieel genomen niet terstond een ondeugd aanduidt. Er is meer gelegenheid dan voorheen om de vrije tijd te besteden naar eigen keuze. Vermaak, ontspanning, liefhebberij, sportbeoefening, reisgelegenheid, het onbelemmerd als jongeren en ouderen met elkaar verkeren, nemen toe. De pers breidde zich in deze eeuw uit. De radio en televisie hebben de ouderen die nu nog leven, zien komen. Algemene klachten over vervlakking, vergroving en normloosheid als effect der media overtuigen afwisselend wèl of niet.

Soms keert de wal het schip, men neme de hoe langer hoe puerieler wordende reclame-advertenties die weldra de geduldgrens der kijkers zullen doorbreken: dubbelblank reinigende wasmiddelen, gevleugelde auto's, met een goedkoop lot het winnen van een fortuin. Over het algemeen is het in Nederland heden niet een economisch, sociaal-cultureel slechter leven dat geleid wordt dan vroeger, maar zijn de mensen vandaag gelukkiger? Ik denk dat men het in West-Europa gemakkelijker heeft dan voorafgaande generaties met echter drieërlei voorbehoud. Vooreerst overschrijden te velen de grens van wat ze zich geldelijk zonder sterke inwendige spanningen veroorloven kunnen. Daar is verder de kans op grote, hardnekkige werkloosheid en nijpende honger met in de toekomst de mondiale opstand der armen. En er hangt de voortdurende dreiging van nucleair oorlogsgeweld. Permanente maatschappelijke chaos en een radicale verwoesting van grote oppervlakten van onze planeet wuif ik, ofschoon geen doemdenker, niet lichtvaardig als te sinistere mogelijkheden weg.

De kwesties of onze cultuur er in het persoonlijke en in het openbare leven ethisch op gewonnen of verloren heeft, zijn evenzeer delicaat. Bij een cultuurgevoelige volksgroep als de studenten zie ik vanaf 1934 - toen ik zelf aan de universiteit kwam - geen noemenswaardige verbetering doch evenmin een verslechtering. Ofschoon zelf tot op heden ongetrouwd, zou ik ongaarne huwelijk en gezin buiten de cultuur plaatsen. Niet betwistend dat echtscheiding onder de huidige verhoudingen zonder een zegen te worden nogal eens de oplossing biedt, sla ik in andere gevallen het bij elkander blijven van man en vrouw als verkieslijker aan omdat anders bij hertrouw niet uitgesloten is dat vier personen ongelukkig worden. Verder zijn het, voorzover mijn ervaring reikt - ook bij een pro deo gevoerd scheidingsproces de kinderen steevast die de rekening betalen. De buitenhuwelijkse wegen die heden, blijkens zeer bonte annonces in menigte opengesteld worden, zijn dikwijls curieus, verdiepen het inzicht in de menselijke cultuur - of is het juister te zeggen: in de menselijke natuur - en haar afwijkingen, maar verdienen ethisch-cultureel geen schoonheidsprijs.

Thans de beoordeling van het in meer strikte zin publieke leven. Voor en na zijn wij een ambtenarenstaat. Ik betwijfel of wij ons nog een “deftige” ambtenaarsstaat mogen noemen. Wij moeten als wij eerlijk zijn toegeven dat wij bureaucratisch zijn geworden; voor de werkgelegenheid uitstekend, voor de arbeidsproduktiviteit minder gunstig. In de hogere rangen beschikken wij nogal eens over bekwame tot bekwame figuren, tot de middengroepen behoort een slag vormelijke, wat drammerige functionarissen, beslissend vanuit een beperkt denkraam, en in de lagere echelons treft men wel erg "aangepaste' werknemers aan. Niettemin zijn zij allen mede cultureel-normatief. Tot op heden werden de jeremiaden over bezorgdheid wekkende corruptheid gelukkig niet overtuigend gestaafd. Billijkheidshalve worde nog toegevoegd dat in de zogenaamde vrije beroepen zich eveneens denkstof biedende onappetijtelijke feiten voordeden. Tandartsen, medische specialisten - de huisartsen worden schaars -, apothekers en farmaceutische handelaren, notarissen, accountants, advocaten halen niet enkel om hun culturele verrichtingen de pers, assuradeuren lokken soms bijna eindeloos durende procedures uit om de kleine cliënt op de knieën te krijgen. Directeuren en commissarissen zien hun belangen bijna overal, hun aandeelhouders nagenoeg nergens "zitten'.

Dit alles geeft nog geen reden onszelf uit de markt te prijzen. Erg opdringerig werden wij zelden. Een beetje lomp, enigszins zwaar op de hand, beslist nu en dan jaloers en steeds geneigd lessen uit te delen, graag schetterend, belust op een babbeltje, van tijd tot tijd hardvochtig, waren wij keer op keer, na er enkele weken voor genomen te hebben, toch bereid tot het innemen van een gematigd standpunt, voelden wij dat onze plaats in het midden lag, dat wij ons bevonden tussen Frankrijk, Engeland en Duitsland op het snijpunt, dat in betrekkelijke zelfstandigheid onze kracht lag en dat wij daarbij niet onze eigen overtuiging aanstonds hadden prijs te geven. Ons geweten werkte zeker niet snel, maar het was present, ook op ogenblikken dat het ons slecht paste. Wij hadden er een handje van op onszelf in te hakken, echter als puntje bij paaltje kwam, vergroving en oppervlakkigheid ten spijt, bleven er dingen die wij niet deden of waar wij later - de politionele acties in Indonesië - spijt over gevoelden.

Ik had het over onze plaats in het midden tussen Frankrijk, Engeland en Duitsland. Voor het oog betekenden wij iets: 15 miljoen mensen; die cultureel weg te cijferen is een dwaasheid. Maar zou het niet anders gelopen zijn indien door ons de band met Zuid-Afrika nauwer was aangehaald aan het eind van de vorige, het begin van deze eeuw? Hadden wij met betrekking tot de positie van het Nederlands, terzake inzonderheid van de rassenstrijd, welke "het oude broedervolk' terecht in kwaad gerucht heeft gebracht, ons niet sneller en beslister moeten laten gelden? Ook onze relatie tot Vlaams België levert grond voor zelfonderzoek. De afstand tot Zuid-Afrika was altijd wijd en de Zuidafrikaanders zijn hun jovialiteit ten spijt nooit gemakkelijk geweest of zachtzinnig. Daarentegen moet het verzuim om de nabuurschap met Vlaanderen te verstevigen ons zwaar worden aangerekend. Hoezeer waren wij bij een nauwere omgang gebaat geweest! Vlak over de grens troffen wij aan een mooi landschap, een ons stamverwant, gastvrij volk, een imponerende culturele rijkdom, talrijke historische steden - Antwerpen en Brugge voorop -, de beoefening van velerlei kunsten, een bloeiende letterkunde, die wel een zeer gevarieerde geest ademde - neem Guido Gezelle en Stijn Streuvels, Marnix Gijsen en Gerard Walschap, typisch moderne auteurs als Boon en Claus, overvloedige wetenschappelijke activiteit, werkelijk wij hebben ons, de goeden niet te na gesproken, cultureel slap getoond in ons toenaderingspogen tot de zuiderburen.

Thans de veranderingen in de culturele situatie sinds de Tweede Wereldoorlog, vooral wat betreft de reeds genoemde grote mogendheden. Er had zich aanzienlijke machtsverschuiving voorgedaan. Er was internationale blokvorming opgetreden. Van voortdurende geestelijke afhankelijkheid ten opzichte van sterkere nabuurstaten, was voor Nederland lange tijd geen sprake geweest. Uitentreuren werd de slag bij Waterloo herdacht, wat de toenadering tot Frankrijk en zijn eerste keizer niet bevorderde. Engeland genoot binnen onze grenzen - al zou men soms de vraag: “The English, are they human?” niet bevestigend willen beantwoorden - de meeste sympathie; de Britten hadden ons geestelijk steeds vrijgelaten en ook verder niet bedreigd. Wat Duitsland betreft, het was van 1940 tot 1945 een dubbeltje op zijn kant geweest en geestelijk had het "edelgermanisme' meer twijfelmoedigheid veroorzaakt en groter schade aangericht dan later werd toegegeven. Het grote gegeven bleef: men had ons bevrijd, dus moesten wij, realisten die wij waren, uit overtuiging en belang in grotere militaire en economische bondgenootschappen treden. Voor het ogenblik volgen wij, na verkennende Europese sterrenkijkerij, uiteraard op hoog niveau, een meer op aardse gegevenheden zich richtend internationaal beleid en nemen deel aan de snellere of tragere bevestiging van het Maastrichtse verdrag. Titel IX, "Culture' geheten, telt één bepaling (artikel 128) met het ambitieuze openingslid: “De gemeenschap zal bijdragen tot de bloei van de culturen der leden-staten, respecterend hun nationale en regionale diversiteit en tegelijkertijd de gemeenschappelijke culturele erfenis naar voren schuivend”.

Op dit punt duiken de gevaren op van vaagheid, retoriek en ongewenste beïnvloeding. Vaagheid, want terwijl ik gemakshalve aan Rusland voorbij treed en stilzwijgend erken dat de Verenigde Staten tweemaal Europa hebben geholpen, het Europa van Maastricht wordt momenteel mede gevormd door Italië, Spanje en Portugal, cultureel-historisch beschouwd topnaties, maar hoezeer bewonderenswaardig, ze zijn ons maar matig vertrouwd, want neem de Borgia's, neem de levensstijl van een reumatische Castilliaanse don, als wij om het eenvoudig te houden, Columbus of de conquistadoren laten rusten. Wij kennen voorts de esprit Français, wij bewonderen die sterker dan de Franse revolutie, hoewel wij veel aanvankelijke kritiek hebben teruggenomen; Parijs is voor velen cultureel en qua alledaags amusement het einde; daarentegen heeft het fin de siècle voor het grootste deel van ons volk geen punten van verwantschap. Dit laatste is met Engeland anders. We hebben affiniteit tot de natie die het moederhuis der parlementen het zijne mag noemen. Laten wij ondertussen eerlijk blijven. Peilen wij de raadselachtige Britse Kelt, begrijpen wij de tegenover de Engelsen op zelfstandigheid bedachte Schotten, waarderen wij de stijve bovenlip van de Engelse gentleman, die sportief is op eigen wijze? Lokken ons de public schools aan, de verholen superioriteitsgevoelens van een - het moet toegegeven - deels aantrekkelijk onderkoelde, deels sterk verruwde natie?

Ten slotte Duitsland, heden zeer uitgesproken een democratie behept met zwakke plekken. Het Duitse volk beschikt over zeldzame werkkracht, straalt dikwijls bijzondere vriendelijkheid - vermengd met vleierij - uit, lijdt helaas tevens aan een lugubere gespletenheid; het blijkt af en toe rauw, trots of verwaten, zichzelf vergetend in bestialiteit, zoals ook een enkele keer Nederlanders, die zich volgieten met drank, verwante stuitende eigenschappen vertonen.

Nu de retoriek. De slag op de Katalaunische velden, de strijd bij Poitiers, de kruistochten, het afslaan van de aanval op Wenen, de van Rome uit zich over ons werelddeel verspreidende kerk, de geestelijke en kunstzinnige stilering van het leven: de religieuze ontwikkeling van middeleeuwse scholastiek en mystiek, het humanisme, de renaissance, de reformatie en de contrareformatie, de verlichting. Het beeld verbijstert door bontheid en diepte. Kant, Hegel, Marx, een weergaloze architectuur, schilders, beeldende kunst, muzikaliteit, geweldige techniek en ondanks een honderdjarige en een dertigjarige oorlog, na twee warme wereldoorlogen alsmede een koude wereldoorlog, èn chaos èn herstel. De retoriek is meer dan een denkbeeldig gevaar, zij is een reële bedreiging. Een betuiging als van Kennedy: “Ich bin ein Berliner”, verliest hoe meer men er over nadenkt aan overtuigingskracht. Desondanks, we zijn op elkaar aangewezen, we zijn aan boord van het zelfde vaartuig, er zijn slechtere idealen dan die van de Europese mens. Echter, men blijve met zijn voeten op de grond.

Hoe zit het dan met ongewenste beïn- vloeding? Is deze kwade kans beslissend? Het antwoord is tweeledig. Om te beginnen zijn wij er zelf bij. En vervolgens wijs ik op de nog erbarmelijker mogelijkheid dat wij straks alleen staan, ons aan culturele vaandelvlucht in een zich naar alle kanten stabiliserend Europa schuldig makend. Waar bevinden wij ons dan? In eenzaamheid; op ons cultureel eentje! Het zou een dramatische misslag betekenen als wij voor Nederlandse culturele apartheid kozen, voor negatieve culturele onthouding, om aldus in een niemandsland terecht te komen. Zonder open zetten van materiële en ideële grenzen, zonder aan elkaar als vrije volken de hand toe te steken, zonder werken aan een gemeenschappelijke geestelijke toekomst - met name bejaarden worden bedreigd door voortdurend achterom zien en vele culturele leiders zijn nogal bejaard - zonder bereidheid historisch ontstane beperktheden, persoonlijke vooroordelen, nationale eigenaardigheden prijs te geven, verliezen wij het spel. Is het spel? Of hebben wij Nederlanders de eeuwen door bewust dan wel onbewust getracht de achtergrond der dingen, de diepere zijden van het leven, vanuit de bijzonderheid van het eigen als kostbaar ervaren geestesbezit, het algemeen waardevolle, het mysterie van het bestaan te grijpen, de tegenstellingen tot harmonie verenigend? Het antwoord kan helder zijn. Het moet tevens bescheidenheid tonen. Wij zijn om ons tot de nieuwe, de moderne tijd te bepalen, het land van Erasmus, van Rembrandt, van De Groot, van Spinoza, van de gedeelde christelijke kerken. We bezitten scherpzinnige theologen, grote linguïsten, begaafde historici, voortreffelijke beoefenaars van natuur- en sociale wetenschappen. Daarenboven hebben wij - ik zeg niet lest best maar ook niet tot overmaat van ramp - normaal eerzuchtige maar zichzelf meestal in de hand houdende, generaal beschouwd eerlijke, zich niet buiten de cultuur plaatsende politici.

Het blinkt allemaal tamelijk statisch. Wij vormen met elkaar een struikelende, wat langzame, niet bijster artistiek toegeruste, zeker zelden tot wijsgerige bespiegeling, daarentegen veelvuldiger tot theologiseren en in de regel tot zorgvuldig wikken en wegen geneigde natie. Wij aanvaarden ongaarne iets op gezag maar wij zijn niet op weg in zelfgenoegzaamheid en durven onszelf te corrigeren. Dus is er reden monter te eindigen. De probleemstelling: identiteitsverlies of zelfhandhaving, welke ik in het begin vermeldde in verband met het perspectief voor onze Nederlandse cultuur in Europa, kan plaats maken voor een korte, luchtige solutie: identiteitsverdieping dankzij zelfbeperking.