Oosteuropese kerncentrales levensgevaarlijk

Zes jaar geleden deed zich in de Sovjet-kerncentrale in Tsjernobyl een "melt down' voor die tienduizenden mensen aan radio-actieve straling blootstelde en uitgestrekte landbouwgebieden in Oekraïne en Wit-Rusland voor generaties vergiftigde. Was dit een zeldzame ramp, of kunnen deze gebeurtenissen, die decennialang ernstige gezondheidsschade veroorzaken, zich opnieuw voordoen? Zo ja, zijn dan wel voldoende maatregelen genomen om herhaling te voorkomen? De beschikbare gegevens wijzen erop, dat de risico's met Oosteuropese kerncentrales nog steeds ernstig worden onderschat. De internationale gemeenschap, vooral de Westeuropese landen, moeten veel krachtiger maatregelen nemen om te helpen de risico's af te wenden.

In Oost-Europa (inclusief Rusland) zijn zestig kerncentrales in gebruik en er worden negenentwintig bijgebouwd, zoals op bijgaand kaartje te zien is. Het gaat vooral om twee types: de RBMK (het Tsjernobyl type) en de WWER reactoren. Beide vertonen ernstige gebreken.

De veiligheidsvoorzieningen zijn vaak abominabel, de nood-koelsystemen voldoen niet, het instrumentarium en de controlesystemen zijn onbetrouwbaar, de brandbeveiliging vertoont mankementen, en de reactoren zijn niet goed afgeschermd. Door deze ontwerpfouten worden sommige "inherent onveilig' genoemd. Daarenboven is de staat van onderhoud zo slecht, dat de ontwerpfouten worden versterkt. Het dagelijks beheer en de controle zijn door de lage arbeidsmotivatie en onvoldoende opleiding een extra risicofactor.

Het Internationale Atoom Energie Agentschap te Wenen heeft een aantal veiligheidsstudies uitgevoerd. Een voorbeeld daarvan is de studie van de oude WWER reactor in het Kola-schiereiland. De kans op een ernstige beschadiging van de reactor is berekend op 1 maal in de 182 jaar. Er zijn nog ongeveer zesentwintig reactoren in bedrijf met een vergelijkbaar risico. Hieruit wordt afgeleid dat de gezamenlijke kans op een melt down ongeveer eenmaal in de zeven jaar bedraagt. Maar dat cijfer is door de vele onbekende gegevens niet nauwkeurig; de werkelijke kans kan tien maal kleiner of tien maal hoger zijn, zo stellen terzake kundigen.

Ter vergelijking: de kans op een melt down van de centrale in Dodewaard is 1 maal in de 76.000 jaar. De standaard die het IAEA hanteert is dat het risico niet boven de 1 maal in de 10.000 jaar mag uitkomen. (Deze cijfers zijn schattingen; men moet er geen absolute waarde aan toekennen.) Met die maatstaf in de hand zouden een groot aantal Oosteuropese centrales vandaag nog gesloten moeten worden. Maar prof. Jevgeni Velikov, adviseur van president Jeltsin, zegt dat daar geen sprake van kan zijn, omdat de energie-opwekking in Rusland te afhankelijk is van kerncentrales. Ook in andere Oosteuropese landen blijven levensgevaarlijke centrales doordraaien uit economische noodzaak. Toen West-Duitsland in 1990 de Greifswaldcentrale in het toenmalige Oost-Duitsland onderzocht, kwam het tot de conclusie dat deze direct gesloten diende te worden, omdat reparatie en beveiliging onbegonnen werk was. De streek die elektriciteit van deze centrale kreeg, werd aan het Westduitse net gekoppeld. Helaas bestaan zulke mogelijkheden niet voor de mensen in andere Oosteuropese landen.

Een aantal Oosteuropese centrales kan enigszins worden beveiligd als het personeel wordt getraind, als onderdelen worden vernieuwd, en extra veiligheidssystemen worden ingebouwd. Andere centrales zijn tamelijk hopeloos en zouden zo snel mogelijk moeten worden vervangen door centrales op gas of olie. Vervanging vereist miljardeninvesteringen waar Oosteuropese regeringen geen geld voor hebben.

De situatie wordt verergerd door politieke instabiliteit. Veel kerncentrales staan in gebieden waar burgeroorlog uit kan breken of al uitgebroken is. Michael Sailer van het Ecologisch Instituut in Darmstadt stelt dat als door gewelddadigheden de verbinding van een centrale met het hoogspanningsnet wordt verbroken, een gigantische ramp plaats kan vinden, omdat een reactor elektriciteit nodig heeft voor zijn koeling en de noodaggregaten veelal onbetrouwbaar zijn.

Rampen met kerncentrales kunnen tot op honderden kilometers de gezondheid van mens, dier, plant en grond aantasten. Omvang en ernst hangen van de grootte van de ramp, de afstand, en de windrichting en neerslag af. Grote stukken van Centraal-Europa hebben door Tsjernobyl radio-actieve depositie moeten absorberen. Zelfs boven Nederland, dat 1800 km ver van Tsjernobyl ligt, werd een week na de ramp een sterk gestegen radioactiviteit gemeten, die gelukkig weer snel daalde.

Welke maatregelen zijn er internationaal genomen om herhaling van een dergelijke ramp te voorkomen? Er is door de EG een programma opgezet om de gevaarlijke centrale in Kozloduy (Bulgarije), die eigenlijk dicht zou moeten, enigszins op te lappen. Ook voor reactoren in Tsjechoslowakije is een hulpprogram gestart. In 1991 begrootte de EG ƒ 53,5 miljoen voor heel Oost-Europa (inclusief de vroegere Sovjet-Unie). Opmerkelijk is dat, volgens onze informatie, nog slechts tien procent van de begrote gelden is besteed wegens het gebrek aan uitgewerkte hulpprojecten.

De zeven grootste economieën (waaronder de EG) hebben pas dit jaar, dat is 6 jaar na Tsjernobyl, in München afgesproken, gezamenlijk hulp te bieden. Rapporten over de toestand van de centrales leiden tot een schatting dat ƒ 16 miljard nodig is om de "betere' centrales in Oost-Europa aan te passen aan internationale veiligheidseisen. De kosten van het vervangen van niet te verbeteren oude centrales zullen een veelvoud daarvan zijn. Toch zijn de G-7 niet verder gekomen dan afspraken over enkele korte-termijnmaatregelen, die ƒ 1,3 miljard zullen kosten.

Gezien de grote bedragen, de trage uitvoering en de ernst van de situatie, moet ook worden gedacht aan het beperken van de elektriciteitsproduktie uit kernenergie. In Oost-Europa wordt ongelofelijk veel energie verspild. Per eenheid produkt verbruikt men daar ruim tweemaal zoveel energie als in West-Europa. Alleen al door spaarlampen te gebruiken zou de elektriciteitsbehoefte voor verlichting met 75 procent kunnen worden verlaagd. Dat is te vergelijken met sluiting van tien Tsjernobyl-centrales, zo rekenen de Amerikanen Rosenfeld en Mills voor. Het opzetten van spaarlampenfabrieken in Oost-Europa zou tevens werkgelegenheid bieden, zeker als overbodige defensie-industrieën die taak op zich zouden nemen. Essentieel is ook dat de aardgas- en olievelden van Oosteuropese landen beter worden benut en de gigantische verspilling in de energieproduktie wordt aangepakt. In Rusland ligt bijvoorbeeld een olieveld waar het gas, dat met de aardolie omhoog komt, ter plekke in de open lucht wordt verbrand. De calorische waarde is ongeveer het jaarlijkse aardgasverbruik door alle Nederlanders samen. Het aanpakken van dit soort problemen met internationale hulpprojecten levert een buitengewoon rendement voor het wereldmilieu op.

Het zal duidelijk zijn dat het belang van de volksgezondheid en het milieu in Oost- en West-Europa een ambitieus hulpprogramma voor de kernenergiesector van Oost-Europa noodzakelijk maakt. Een aantal kerncentrales moet dicht en worden vervangen door gas- of oliecentrales (of veilige, moderne kerncentrales indien onvermijdelijk). Ook energiebesparing kan de afhankelijkheid van gevaarlijke kerncentrales sterk verminderen. Voor zulk een hulpprogramma is het absoluut noodzakelijk, dat de Westeuropese landen zich de grote risico's die zij zelf lopen goed voor ogen houden, en niet aannemen dat zij niet door nieuwe Tsjernobyls kunnen worden getroffen.