Myteh uit een moeras

Zoals het moeras in de Middeleeuwen een onuitputtelijke bron van sagen was, zo levert het openbaar vervoer in Amsterdam met de regelmaat van een dienstrooster verhalen met een hoog Broodje Aap-gehalte. Belangrijk verschil is dat veel van de anekdoten over het hoofdstedelijk Gemeente Vervoerbedrijf (GVB) waar gebeurd zijn.

Neem de scharensliep die onlangs bij een werkplaats van het GVB aanliep. Of er misschien nog iets te slijpen viel. Hij had geluk: een medewerker gaf botte zagen, boren en beitels mee met een waarde van tienduizend gulden. Na een week werd het gereedschap geslepen en wel terugbezorgd. Tot dusver niets aan de hand. De gebeurtenis ontsteeg echter de alledaagse praktijk toen de rekening werd gepresenteerd. Honderdduizend gulden! Aanvankelijk dacht men nog aan een grap, maar al snel bleek het de scherpslijper menens. Paniek in de tent.

In plaats van de politie verscheen de Amstelveense zigeunervorst Koko Petalo ten tonele. Diens "bemiddeling' deed wonderen: de prijs zakte tot 65.000 gulden. De rekening werd betaald en de onderdirecteur, die het zaakje kennelijk had geregeld, sprak publiekelijk zijn tevredenheid uit over de goede afloop.

Het zijn van die dingen die je aan het denken zetten bij het afstempelen van een strippenkaart, die zoals bekend binnenkort ongeveer zes procent duurder wordt. Vorig jaar was er ook al zo'n financieel akkefietje. Twee oplichters werden gearresteerd nadat ze op raadselachtige wijze vier miljoen gulden van de rekeningen van het GVB hadden weten af te boeken. Een van de mannen werkte bij het GVB, opmerkelijk genoeg niet als boekhouder of kassier, maar als kaartjescontroleur. Wat de zaak vooral zo onvergetelijk maakte was dat GVB-directeur kort daarvoor nog had verzekerd dat fraude bij zijn bedrijf praktisch uitgesloten was.

Van een andere orde, maar niet minder sprookjesachtig, zijn de berichten over de kwaliteit van de dienstverlening die het GVB verleent. Illustratief voor de klantvriendelijkheid is het kroket-incident. Een bestuurder parkeerde eerder dit jaar zijn tram midden in de Leidsestraat voor de plaatselijke FEBO om een kroketje uit de muur te halen. De protesterende passagiers moesten niet zeuren, zo sprak de man, ze mochten blij zijn dat ze konden meerijden.

Minder om te lachen is de stroom van berichten die dagelijks uit het ondergrondse komt. Amsterdam heeft sinds 1977 een metro, maar het is nog altijd wennen. Metropassagier Jenny van Dalen richtte vorige week een consumenten-actiegroep op, nadat ze bij wijze van het zoveelste incident bijna in een gebruikte injectienaald was gaan zitten. Sinds zij haar telefoonnummer openstelde zijn tientallen reacties binnengekomen van ontevreden metrogangers.

Het zijn berichten uit de frontlinie van de afbrokkelende verzorgingsstaat: dreigende groepen junks op de ondergrondse perrons, druggebruik in de metro, agressief gedrag en een bewakingsdienst die de opdracht heeft gekregen uit lijfsbehoud op veilige afstand te blijven. Van Dalen eist meer veiligheid. Zo niet dan volgen er zwartrij-acties.

Al weer enige tijd geleden was het idee geboren de overlast in de metro terug te dringen door middel van klaphekjes, zoals men dat in grote steden in het buitenland wel pleegt te doen. Na jaren van onderzoek, overleg, uitstel, overleg en onderzoek staan ze voor 1993 op het programma, die tourniquets.Maar er is een probleem. Bij de huidige stand van de techniek is het niet mogelijk een apparaat te maken dat geschikt is om alle verschillende vervoer- en strippenkaartjes op te slorpen. En dus moeten er controleurs naast staan.

Zo zijn we weer terug bij af, want afgezien van de vraag wat dan het nut van die hekjes is, controleurs zijn er niet voldoende, dit jaar niet, volgend jaar niet en de jaren daarna waarschijnlijk evenmin. Er is geen geld voor. De controle zal - net als nu - “steekproefsgewijs” gebeuren. Net als nu zullen de junks en dealers zich hooguit naar het station verderop, waar niet gesteekproefd wordt, verplaatsen. Per metro, dat spreekt voor zich.