McKinsey en de effectenbeurs

Hoe komt het dat de bloemenveiling in Aalsmeer en ook de veilingen van tuinbouwprodukten in het Westland succesvol zijn, en zelfs zó efficiënt functioneren dat bloemen uit Israel naar Nederland worden gevlogen om in Aalsmeer de veiling te passeren, terwijl anderzijds de effectenbeurs in Amsterdam al het organisatiebureau McKinsey heeft moeten inroepen, dat eerder deze maand een urgent en somber rapport uitbracht? Het antwoord op die vraag is òf heel simpel òf vreselijk gecompliceerd. Het eenvoudige antwoord luidt als volgt: onze veilingen zijn eigendom van de "klanten' die er natuurlijk een groot belang bij hebben om prijsvorming en transport van verse bloemen of fruit zo efficiënt mogelijk te regelen. Het personeel dat werkt op de veiling is daar gelukkig niet de baas, maar werkt in opdracht van de klanten.

Op de effectenbeurs daarentegen hebben de klanten - beleggers, pensioenfondsen - niets te vertellen, want de macht berust er bij de direct belanghebbenden die er werken: de Amsterdamse Beurs is de enige dierentuin waar de pinguïns de baas zijn. In het binnenland dulden de pinguïns - hoeklieden en andere handelaren - geen concurrentie, zodat iedereen die naar de dierentuin wilde wel naar Amsterdam moest. Nu kunnen echter de grotere beleggers zoveel goedkoper terecht in Londen dat de beurs dreigt dood te bloeden. Als de beleggers - of de politiek - een bezem konden halen door het spinrag van verouderde regels en zinloze beperkingen, dan kon de beurs - net als in Duitsland - in korte tijd opnieuw tot bloei komen. Van een “weinig besluitvaardig beursbestuur dat bestaat uit onderling strijdende banken, commissionairs en hoeklieden” (drs. Kleiterp, voorzitter van Pierson, Heldring en Pierson) valt echter weinig te verwachten. Vandaar dat Kleiterp en anderen ervoor pleiten om de klanten - de grote beleggers - macht te geven over de inrichting van de beurs, zoals dat bij de succesvolle veilingen ook het geval is.

Zo luidt het simpele antwoord: met de beurs gaat het slecht, want zelfregulering én eindeloos overleg tussen direct belanghebbenden leiden tot stagnatie. Graag zou ik ook het gecompliceerde antwoord geven op de vraag waarom we tevreden geluiden horen over Aalsmeer en Naaldwijk, terwijl de beurs aan het Damrak er zo slecht aan toe is. Helaas moet ik dan verwijzen naar de hoogleraren Kuipers, Halberstadt, Kolnaar, Koopmans, Van Voorden en Wolfson, kroonleden van de Sociaal Economische Raad en grote voorstanders van overlegeconomie en zelfregulering. Ongetwijfeld kunnen deze auteurs van het zojuist verschenen SER-advies over de overlegeconomie haarfijn uitleggen hoe de veilingen waar tripartite-overleg onbekend is en de klanten het voor het zeggen hebben, toch goed kunnen functioneren (het SER-advies heeft geen tijd voor consumenten, klanten, buitenstaanders of niet-vakbondsleden). Zeker kunnen de apologeten van de overlegeconomie ook een verklaring vinden voor het feit dat de effectenbeurs, op het eerste gezicht een prachtig voorbeeld van zelfregulering en permanent overleg tussen alle direct belanghebbenden, niettemin er zo akelig aan toe lijkt te zijn. Helaas schiet ik hier jammerlijk tekort, omdat ik bij woorden als "tripartite overleg' of "zelfregulering' altijd even moet denken aan kartels en monopolies en dan kennelijk blijf steken.

Frankfurt en Parijs hebben de bakens al verzet. Door een volledig gecomputeriseerde beurs is de termijnhandel op de Duitse staatsschuld voor een groot deel weer teruggekeerd naar het moederland. Voor de Nederlandse staatsschuld, daarentegen, zijn er geen voldoende diepe optie- en termijncontracten, vooral omdat de beursregels dat moeilijk maken, maar ook ten dele omdat de beurs niet zeker weet of ze in de toekomst nu vooral moet rekenen met tienjarige leningen van minister Kok of met leningen die vijftien jaar lopen. Door de intensieve handel op termijncontracten in Frankfurt, zijn Duitse obligaties net iets gewilder dan Nederlandse staatsschuld, en dat komt neer op een renteverschil in ons nadeel. De Nederlandse staat betaalt namelijk per jaar een half miljard gulden meer aan rente op de staatsschuld, omdat ons Nederlands papier wat minder goed verhandelbaar is dan het Duitse door die afwezigheid van diepe optie- en termijncontracten. Minister Kok kan dat half miljard verdienen voor de Nederlandse belastingbetalers door af te stappen van zijn kostbare voorkeur voor zelfregulering van de beurs, vlug en snel in te grijpen, en de beurs te moderniseren.

In Parijs staat een andere computer die de handel verzorgt in Franse aandelen. Recent onderzoek van Alisa Roëll toonde aan dat Parijs nu goedkoper werkt dan Londen voor kleinere orders tot ongeveer vijfduizend aandelen per transactie. Alleen voor de grootste orders is de beurs in Londen, die werkt volgens een ander systeem voordeliger. Wat in Frankfurt en Parijs kon lukken, is ook haalbaar in Amsterdam, namelijk een succesvolle termijnhandel op de eigen staatsschuld en een actieve beurs voor de niet al te grote transacties in Nederlandse aandelen, beide volkomen gecomputeriseerd.

De hoekman gaat daarbij onvermijdelijk sneuvelen. De verplichting van de hoekman op de beurs is, om altijd - dus ook als het klimaat op de beurs slecht is en de koersen dalen - een prijs af te geven, zodat in ieder geval de kleine belegger weet dat hij van zijn aandelen af kan. De hoekman biedt dus een extra service die een gecomputeriseerd systeem niet kan bieden, maar is ook extra duur omdat hij de risico's in rekening moet brengen die hij loopt op zijn eigen handelsvoorraad aan aandelen. Internationale ervaring leert dat daarom het hoekman-systeem alleen nog kan overleven wanneer de omzetten reusachtig groot zijn, want dan worden de kosten van de hoekman gespreid over een groot aantal klanten.

De New York Stock Exchange genereert nog voldoende omzet om het hoekmansysteem te handhaven: in Amsterdam kan dit niet meer. Slecht voor de Amsterdamse handel was ook de regel dat de hoekman niet in dienst mocht zijn van een grote, rijke bank of verzekeringsmaatschappij. Daardoor bleven in Amsterdam de hoekmansbedrijven klein en ondergekapitaliseerd en niet in staat om te overleven in concurrentie met de veel sterkere hoeklieden en "market makers' in Londen en New York.

Het is wat veel gevraagd van de Amsterdamse hoeklieden om vrijwillig in te stemmen met hun eigen opheffing, maar wel is de zaak urgent, want een betere termijnhandel op staatsschuld betekent hoogstwaarschijnlijk een miljard gulden per jaar voordeel voor de staat, en een gezonde, lokale aandelenbeurs maakt het bedrijven gemakkelijker om de stap naar een beursnotering te zetten, en op die manier extra vermogen aan te trekken. Een operatie-Phoenix op de Amsterdamse beurs, waarbij de hoeklieden verdwijnen en nieuwe automatische systemen de handel doen opleven, zou een geslaagd voorbeeld kunnen zijn van een industriebeleid, want het betekent zowel een lagere rente als gunstiger financieel klimaat voor het bedrijfsleven.

Amsterdam ligt nu tweeënhalf jaar achter op Frankfurt, en vier jaar op Parijs. Een beursbestuur vol direct belanghebbenden heeft gefaald, en van de hooggeplaatste personages in de werkgroep "Amsterdam Financieel Centrum' hoor je ook niet veel meer. Ik hoop maar dat minister Kok de tijd heeft om kennis te nemen van de buitenlandse feiten en ontwikkelingen en dan besluit om op dit vitale terrein de zelfregulering en het tripartite overleg te overstijgen. De belangen van ons bedrijfsleven bij een gezonde beurs, en van de staat bij een lagere rente vragen nu om snel ingrijpen.