Koerden

Correspondent Froukje Santing legt een opmerkelijke distantie aan de dag over de situatie in het Koerdische zuidoosten van Turkije in haar artikel over de verlenging van de noodtoestand (NRC Handelsblad, 12 november).

Dat er over de gebeurtenissen in de stadjes Sirnak en Kulp in respectievelijk augustus en oktober vooral door de gebrekkige informatie van Turkse officiële zijde, onduidelijkheden bestaan, is geen reden ze niet te behandelen. Er is voldoende informatie (voor Sirnak bijvoorbeeld het rapport van het Britse Hogerhuislid Lord Avebury en voor Kulp de uitgebreide berichten in de Koerdisch-Turkse krant Özgür Gündem) om te vermelden dat het Turkse leger in beide plaatsen welbewust met zware wapens op huizen en winkels schoot en zover ging om daarna gebouwen in brand te steken. Dit direct tegen de burgerbevolking gerichte geweld stond in geen verhouding tot de aanleiding: In Kulp een aanslag van de PKK op militairen, in Sirnak (hoogstwaarschijnlijk) een PKK-aanval die achteraf veel minder massaal bleek dan door het semi-officiële Turkse persbureau bericht werd.

Over de zogeheten "dorpswachters' schrijft Santing dat van zeker 10.000 van deze door de staat bewapende Koerden niet duidelijk is “welke kant ze ideologisch kiezen”. Ze laat er meteen op volgen dat het zeker in één geval bewezen is dat dorpswachters gewapende aanvallen hebben uitgevoerd, die in de schoenen van de PKK werden geschoven. Wil Santing hier werkelijk suggereren dat het geweld in Zuidoost-Turkije in principe ideologisch bepaald is en voornamelijk van PKK-zijde komt? Geweld komt in Zuidoost-Turkije zowel van de kant van de PKK als van de regering.

De situatie is in feite, grotendeels onopgemerkt door de media, op weg een burgeroorlog te worden, waarbij de PKK inmiddels een massale aanhang onder de bevolking verkregen heeft. De escalatie van de Koerdische problematiek in Turkije biedt een treurig voorbeeld van wat jarenlange onderdrukking, maar vooral ook ontkenning van een probleem door een regering teweeg kan brengen.