Joodse Raad bepaalde in Den Haag deportatie joden; Congres over hoe Duitsers vervolging joden organiseerden

In 1941 was Amsterdam de stad in West-Europa die de meeste joden (10,2 procent) onder zijn inwoners telde. Vandaag en morgen wordt in Amsterdam een vergelijkend congres gehouden over de vraag hoe de Duitsers overal in Europa de jodenvervolging organiseerden.

AMSTERDAM, 23 NOV. Van de in het totaal 107.000 Nederlandse joden die in de jaren 1941-1944 naar Duitse concentratie- en vernietigingskampen werden gestuurd, kwam een opmerkelijk groot deel uit Den Haag. Dat 78 procent van de Haagse joden werd weggevoerd, lag aan de Joodse Raad in Den Haag die bijzonder actief was om de Duitse autoriteiten lijsten te verstrekken van de te deporteren joden.

Dit blijkt uit een studie van de Leidse historicus, J. E. van der Boom voor het internationale congres over vergelijking van het management van de jodenvervolging in steden als Amsterdam, Antwerpen, Berlijn, Den Haag, Kiev, Minsk en Praag en diverse vormen van verzet tegen de deportaties. Het congres wordt vandaag en morgen in het Joods Historisch Museum in Amsterdam gehouden; het is georganiseerd door het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie en door de organisatie voor Postdoctorale opleidingen voor 19de- en 20ste-eeuwse geschiedenis.

Hoewel Amsterdam verhoudingsgewijs de meeste joden van alle West-Europese steden onder zijn inwoners telde (Parijs kwam met 8,8 procent op de tweede en Antwerpen met 8 procent op de derde plaats), woonde tien procent van alle Nederlandse joden van toen in Den Haag.

In zijn congresbijdrage onderschrijft Van der Boom het verweer van Duitse autoriteiten in 1947 dat niet zij, maar de Haagse Joodse Raad uitmaakte welke joden en wie van hen het eerst, gedeporteerd moesten worden. Als gevolg daarvan zouden eerst arme joden naar Duitse kampen zijn gestuurd en pas later joden uit de rijkere Haagse wijken. Zijn conclusies wijken sterk af van die van drs. J. Houwink ten Cate van Oorlogsdocumentatie over het lot van Amsterdamse joden. Volgens Ten Cate speelde bij de joden uit de hoofdstad welstand bij deportaties nauwelijks een rol en heeft de Amsterdamse Joodse Raad zich niet aan selecties bezondigd.

Sommige cijfers, aldus de Amsterdamse historicus, prof. J. C. H. Blom die vandaag als voorzitter optreedt van het Holocaust-congres, schokken telkens weer. Vooral het gegeven dat ongeveer 75 procent van alle Nederlandse joden gedeporteerd en omgebracht is, terwijl dat percentage in andere landen (België 40 procent, Noorwegen 40 procent, Frankrijk 25 procent en Denemarken minder dan twee procent) een stuk lager lag. Zo noemt Blom in een artikel van zijn hand in De Gids (1987) de uitspraak van Eichmann dat de vervolgingen in Nederland “een lust waren om naar te kijken omdat de transporten zo vlekkeloos verliepen”.

De Amerikaanse vervolgingsdeskundige, Raul Hilberg (hoogleraar politieke wetenschappen aan de Universiteit van Vermont) nuanceerde dit beeld vanmorgen in Amsterdam in sterke mate door erop te wijzen dat de jodenvervolging overal in Europa, uitgezonderd Denemarken en dus zeker niet alleen in Nederland, gesmeerd verliep. Naar zijn mening kwam dat niet alleen door het Duitse vervolgings-management, maar ook doordat ambtelijke- en politiediensten in de bezette landen de plichtsbetrachting die zij vanouds hadden geleerd, ook tijdens de oorlog hooghielden en zich daardoor heel coöperatief tegenover de bezettingsmacht gedroegen. Wat joden van hen nodig hadden was echter nu juist geen blinde, ambtelijke ijver. Ambtenaren en politiemensen hadden eerder incompetentie en laksheid laksheid moeten tonen. Maar juist die "tekortkomingen' hadden goed opgeleide ambtenaren niet meer. Met gevolg dat zij in onafgebroken toewijding aan welke overheid ook, hun hoogste opdracht zagen - net zoals dat in Duitsland gewoonte was.

Op geraffineerde wijze konden de Duitsers vrijwel iedereen, inclusief de leiders van de joodse gemeenschappen, tot een fatale vorm van gehoorzaamheid en medewerking aan hun plannen brengen. Dat dat zo'n catastrofale uitwerking had, was naar Hilbergs opvatting ook het gevolg van het feit dat het merendeel van de Europese joden in grote steden woonde en er geen flauwe notie van had waar en hoe zij zich in tijden van nood op het platteland zouden kunnen verbergen.

Cruciaal blijft de vraag waarom zo bitter weinig joden door niet-joden zijn geholpen. Hilbergs verklaring daarvoor is dat men in het algemeen, juist vanwege de oorlogssituatie zo comfortabel en gewoon mogelijk probeerde te blijven leven of zijn toevlucht zocht in sport, film of alcohol. Zo ging in Parijs het intellectuele leven gewoon door. Picasso schilderde en Sartre schreef toneelstukken alsof er niets aan de hand was.

Natuurlijk waren er uitzonderingen. Mensen die wel hielpen, maar zich daarbij toch vaak primair om gezonde joodse kinderen, half-joden en christen-joden bekommerden voor wie nog wel vluchtwegen waren te vinden. Voor joden die geen contacten met niet-joden hadden, was de situatie echter uitzichtloos, zegt Hilberg die er overigens op wijst dat, vooral in Duitsland alsook in Oostenrijk, veel joden door niet-joodse landgenoten zijn geholpen.

Het congres in Amsterdam gaat over de vraag of en in hoeverre de Duitse bezetters, niet alleen in Nederland maar ook elders, van de gevestigde bureaucratie gebruik hebben kunnen maken. In dat verband is vooral de congresstudie van G. Meershoek over de Amsterdamse politie en de vervolgingen van belang. Hij toont opnieuw aan dat de Duitse maatregelen en het deportatiebeleid zo effectief konden worden uitgevoerd omdat de politiemacht waarvan joden veronderstelden dat die te vertrouwen was, intensief meewerkte aan de tenuitvoerlegging van de anti-joodse maatregelen van de bezetter.