Het slechte van Rusland vergeten

Dit najaar werd me, net als achttien jaar geleden, de kans geboden even aan Moskou te snuffelen, een middag en een avond, meer niet, maar lang genoeg om de sensatie van het weerzien te beleven. Een mens is echter nooit tevreden en ik hoopte bij die gelegenheid ook iets van van een communistische betoging of volksoploop mee te maken. Maar jammer genoeg bleef het rustig in het centrum. Het enige wat ik aan demonstratiefs te zien kreeg, was een wat slordige muurschildering. Een grauwe gevel droeg een witte tekst en de taxichauffeur wist me desgevraagd en puttend uit een schamel Engels vocabulaire te vertellen dat het rijtje onbegrijpelijke woorden een lofzang op Lenin behelsde. Gewenst was deze vorm van graffiti blijkbaar niet, want er verscheen al snel een beambte met emmer en borstel om het opschrift uit te poetsen.

Stonden er ook toen, april 1974, al slogans op de Moskouse puien? Ik zou het niet meer weten, maar het lijkt me zeer onwaarschijnlijk. Het was de eerste keer dat ik de Russische hoofdstad mocht begroeten, als deelnemer aan een toeristisch reisje en gedreven door een mengeling van nieuwsgierigheid en een vaag soort idealisme. In de jaren zestig was het sovjet-idioom immers verrijkt met een nieuwe zegswijze: "Zolang de toeristen reizen zwijgen de kanonnen' en als die stelling ook voor de USSR zelf opging, kon ik de vrede of ten minste de vreedzame coëxistentie dienen. Daartoe bevond ik me in een Belgisch-Nederlands gezelschap, dat zich had laten lokken door de aanbieding van een Vlaamse touroperator: vier dagen Moskou voor 421 gulden. Feitelijk waren het twee dagen, want de eerste was al ver verstreken toen we in hotel Berlin (met opgezette beer) arriveerden en alle plichtplegingen afgehandeld waren en de vierde stelde ook weinig voor: reeds om zes uur 's morgens werden de gasten uit hun bed getrommeld om naar Brussel terug te vliegen.

Het is natuurlijk een illusie te menen dat men in zo korte tijd een metropool als Moskou leert kennen. Afgezien van wat sfeer opsnuiven kwam het bezoek neer op een confrontatie met van tv en krantefoto's bekende beelden. Het Rode Plein, de Kremlinmuur, Basilius-kathedraal, de metro, de "Tentoonstelling van Economische Ontwerpen van de USSR', enzovoort en dat alles in het kader van een serie excursies onder strakke leiding van ene Ludmilla Egorova, gidse van het staatsreisbureau Intourist.

Tegen verkenningen op eigen houtje na het officiële programma bestond gelukkig geen bezwaar en daarom trok ik 's avonds privé de stad in. Maar dat viel bitter tegen. Moskou lag open, maar verre van uitnodigend. Een speurtocht naar zoiets als een gezellig café, liefst met balalaikamuziek en Russische stamgasten, bleef vruchteloos. Het enige wat ik in de horecasector vond, was een soort volkseethuis, waar me nog net een kop koffie kon worden geschonken. Enkele zwaarmoedige, halfdronken mannen probeerden me van iets te doordringen, zwaar leunend op mijn tafeltje en met veel gebal van vuisten. Ik begreep er geen woord van en dit was ook niet het contact met de "gewone' Moskovieten dat ik begeerde. Daarom schaarde ik me maar weer in het kielzog van Ludmilla, die voornamelijk uitweidde over de zegeningen van de Sovjet-staat en in historisch verband monter sprak van Mongoolse en Tartaarse jukken die werden afgeworpen.

Dat was dus achttien jaar geleden en nu, herfst '92, werd me Moskou voor de tweede keer geopenbaard, nog vluchtiger dan toen en ditmaal als onderdeel van een reis die geen toeristisch maar een zakelijk karakter droeg, al maakte dat qua "belevingswaarde' geen verschil. Weer lag de stad open, maar anders, ik zou ondanks alle Russische misère zeggen: gastvrijer dan destijds. Bij het verlaten van het vliegveld kreeg ik al een envelop van "escort service Natasha' in de hand gedrukt. "Vertrouwelijk' stond erop. Binnenin was sprake van "jonge, goed opgeleide meisjes die een onvergetelijke trip' aanboden. Behalve cash waren ook credit-cards welkom. Verder werd ik uitgenodigd voor een Zwitserse lunch tegen 14,50 dollar, bestaande uit terrine forestière, chicken chasseur, beef printanier and veal in madeira sauce. Een aperitief was bij de prijs inbegrepen.

Van Moskou zelf, het centrum, herinnerde ik me uit '74 de gigantische portretten van Lenin en andere Sovjet-profeten, die op praktisch alle straathoeken hingen als om de burger continu zijn nietigheid in te scherpen. Nu waren de buitenreclames voornamelijk gewijd aan Coca Cola en McDonalds, terwijl zelfs een Fine Art Galery zich aandiende. Wat ik miste waren de geldwisselaars, ik kwam ze tenminste niet tegen, maar verkopers van horloges en bontmutsen des te meer. Ze trokken in kleine kolonnes over Rode Plein en omgeving om elke vreemdeling met hun beperkte, maar billijk geprijsde assortiment aan te klampen.

Een tunneltje daar in de buurt ontvouwde zich als een oord van zang- en snarenspel. Een groep met gitaren vertolkte het nieuwe genre, terwijl verderop Vivaldi klonk uit drie violen en een cello. Gedronken werd er nog steeds en niet zo'n beetje. De jongen was een jaar of twintig, hij zwaaide ten overstaan van het Lenin-mausoleum met een plastic beker wodka en vroeg me in vlekkeloos Engels “al het slechte van Rusland 1992 te vergeten en slechts het goede te onthouden”.

Een goed advies, al kostte het moeite er gevolg aan te geven. Terug in de taxi stond de radio aan en hoorde ik van "sexy mother-fucker'. Dat was Prince, ook zo'n Westerse zegening waarmee de Russen anno '92 zijn opgezadeld.