Herman Musaph was medische oppergazan

Woensdag 18 november kwam een onverwacht einde aan het leven van Herman Musaph. Hij was een bijzonder mens en dat begon al met zijn naam. Zijn grootvader was voorzanger in de synagoge van Odessa en mocht het Musaph-gebed zingen, vandaar de naam. In de vorige eeuw vluchtte hij met honderdduizenden andere Russische joden en zette koers naar de Verenigde Staten. Onderweg werd hij geroepen om voorzanger te worden in Vlissingen en later oppergazan in Utrecht.

Herman Musaph werd op 7 januari 1915 in Amsterdam geboren. Na zijn studie medicijnen werkte hij als huisarts in Amsterdam. De periode van de Tweede Wereldoorlog bracht hij deels in de onderduik door. Hij overleefde als enige van het gezin: zijn moeder en zusje werden in Auschwitz vermoord, zijn vader in Sobibor. Zijn broer werkte voor de illegale Parool-groep en werd kort voor de bevrijding eveneens vermoord. Persoonlijk zo diep door de oorlog getroffen, is op Musaph van toepassing wat hij zelf het wonder der herrijzenis noemde. Hoe is het toch mogelijk, zo vroeg hij zich vaak af, dat het joodse volk na zoveel en zo intense tragiek steeds weer in staat is op te veren en een bijdrage aan wetenschap, kunst en samenleving te leveren. Na de oorlog voltooide hij zijn in de onderduik begonnen proefschrift ("Doodsdrift', castratiecomplex en depressie') en volgde de opleiding tot psychiater en psychoanalyticus. Op drie onderwerpen ontwikkelde hij zich tot een internationaal erkende coryfee: de psychologie van de huid, de medische seksuologie en de psychische gevolgen van de Tweede Wereldoorlog.

In 1951 werd hij verbonden aan het Binnengasthuis, afdeling Dermatologie van de Universiteit van Amsterdam. Hij verrichte er pionierswerk. Zo bracht hij het onbewuste psychische krachtenveld in kaart waarmee huidaandoeningen beter kunnen worden. begrepen en behandeld Zijn studie over jeuk en krabben (Itching and scratching. Psychodynamics in dermatology, Karger, 1964) geldt als een standaardwerk. Hij hielp daarmee een nieuwe discipline vestigen: de psychodermatologie.

Eén van zijn grote verdiensten is dat hij in staat was zijn kennis naar alledaagse situaties voor een groot publiek op aansprekende wijze te vertalen. Het accent legde hij hierbij op het voorkómen van ziekten. Zo benadrukte hij het grote belang van huidcontact voor de gevoelensontwikkeling van het jonge kind. De huid, het grootste orgaan van het menselijk lichaam, speelt een sleutelrol in het uitdrukken van emoties. Het is een communicatie-orgaan. Een goed huidcontact in de eerste levensjaren is ook van belang voor de ontwikkeling van relaties, seksualiteit en erotiek. Het draagt bij aan de preventie van seksuele moeilijkheden in de volwassenheid.

Zo vormt de psychologie van de huid een natuurlijke brug naar de seksuologie, een gebied waaraan Musaph zijn beste krachten gewijd heeft. Dat begon al vroeg. Vanaf 1946 was hij verbonden aan het Aletta Jacobshuis te Amsterdam, waar hij zich bezighield met seksuele hulpverlening en hij zich inzette voor maatschappelijke hervormingen ten aanzien van seksualiteit. Dit kreeg in 1977 een, eigenlijk pas late, bekroning toen Prof. Arie Haspels hem als bijzonder hoogleraar in de medische seksuologie naar Utrecht haalde.

Eveneens in 1977 verscheen het grote Handbook of sexology, waarvan hij samen met John Money van Johns Hopkins University de redactie vomde. Dit standaardwerk, zelfs in Japanse vertaling verschenen, bevestigde de seksuologie als een wetenschappelijk gefundeerde discipline. Met een groot aantal boeken en honderden artikelen in binnen- en buitenlandse vakbladen laat hij een indrukwekkend wetenschappelijk oeuvre na. Maar hij richtte zich niet slechts tot geleerde collega's, getuige zijn eveneens talrijke voor een groter publiek geschreven commentaren en beschouwingen.

De waardering in de vorm van prijzen bleef ook niet uit: hij ontving onder andere de Ramaer medaille voor Psychiatrie en Neurologie (1965), de Award 1972 van de International Health Foundation in Genève, De Magnus Hirschfeld medaille voor seksuologie (1990) en vele erelidmaatschappen van (inter)nationale verenigingen.

Het derde gebied ten slotte, de psychische problematiek van oorlogsslachtoffers, is het indringendst met zijn persoon en levenssituatie verweven. De Tweede Wereldoorlog zette zijn stempel: “Die godsdienstigheid, dat geloof in de goedertierende God, is gelijk met mijn geliefden in Auschwitz vermoord. Wat over is, is een solidariteit, een existentiële verbondenheid met alles wat joods is, for better and for worse”.

Musaph zag het als een persoonlijke opdracht de herinnering aan de oorlog en zijn verschrikkingen levend te houden. Dat was soms adembenemend. Ik herinner mij bijvoorbeeld hoe hij in zijn dankwoord na een symposium ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar, een bevriende Duitse collega toesprak. “Het is krankzinnig dat ik hier in de Duitse taal bedank, de taal van het land dat mijn familie vermoordde.” Musaph vergat niet. Hij verpersoonlijkte zowel de tragiek als de brug om de tragiek te helpen overkomen. Als psychotherapeut, wetenschapper, docent en publicist zette hij zich volledig in voor zijn lotgenoten. In de voetsporen van zijn grootvader werd Herman Musaph voor lotgenoten en hulpverleners een soort van oppergazan: een voorzanger en voorganger. In augustus van dit jaar in Amsterdam sprak hij nog op het congres van kinderen die ondergedoken zijn geweest over de betekenis van en het vermogen om afscheid te nemen. “Iedereen die de dood van een geliefde heeft ervaren, weet dat deze in ons leeft zolang wij leven. Werkelijk, er is in ons leven geen enkele dag waarin ze niet, al is het maar even, in onze gedachten zijn. Wij hebben alleen afscheid genomen in de realiteit, die kennelijk niet leefbaar, want niet te vedragen is. In de andere, leefbare wereld die wij zelf scheppen, is er voor hen een vaste plaats.”