Festival toont veelzijdigheid van Yannis Xenakis; Composities van een slagveld

Xenakis Festival. Werken van Xenakis, Fransesconi en anderen. Uitgevoerd door Koor Nieuwe Muziek onder leiding van Huub Kerstens en Xenakis Ensemble onder leiding van Diego Masson met diverse solisten. Gehoord 19-22/11, Sint Bavokerk Haarlem, Beurs van Berlage en De IJsbreker Amsterdam.

Khalperr voor blaaskwintet en slagwerk van Yannis Xenakis had beter Knalpeer kunnen heten, want dat is wat de Grieks-Franse componist hier uitbeeldt: een compositie als een vuistslag, moordende muziek. De zeventigjarige ras-avantgardist werd gehuldigd met een verrassend rijk geschakeerd en niet minder verrassend en succesvol vierdaags festival, rond het afgelopen weekeinde georganiseerd door Gaudeamus. Samenballingen van energie, dat is wat Xenakis componeert, al dan niet met behulp van wis- en natuurkundewetten zoals in Naama stochastische distributies, in Herma logische handelingen die door klankverzamelingen worden uitgedrukt (Xenakis spreekt van “symbolische muziek”) in Mists en Evryali boomstructuren (aborescenses).

Maar hoe streng of hoe vrij ook gecomponeerd, het is altijd muziek van een slagveld. Deze samenballingen van energie zijn ware titanengevechten, soms in de vorm van grof geweld. Khalperr maakt een schematische indruk. Maar aan het eind van het concert vrijdag in de Beurs van Berlage klonk Thallein (Grieks voor "uitbotten') uit 1984 voor veertien instrumenten, dat bij alle krachtsexplosies wel degelijk ook verfijnd te noemen is, hoe paradoxaal dit ook mogen klinken. Meestal past Xenakis het slagwerk ritualistisch toe, hard en droog, maar hier worden gongs en maracas coloristisch ingezet. Thallein werd fabuleus vertolkt door het Xenakis Ensemble, dat zich steeds overtuigender ontwikkelt. Niet voor niets werd het uitverkoren om als centraal ensemble te dienen op het komende lentefestival Ars Musica te Brussel, en ook daar staat dan Xenakis' Oresteia uit 1965-1966 centraal, een vrije compositie voor gemengd koor, kinderkoor en twaalf instrumentalisten met slagwerkers verspreid opgesteld over de ruimte; uit de anderhalf uur durende toneelmuziek stelde Xenakis een suite van 45 minuten samen. Zelden hoorde ik het publiek zo enthousiast op een avantgarde werk reageren.

De bezwerende, schrille zang trof doel. Met A Hélène voor vrouwenkoor a cappella uit 1977 was dit minder het geval, maar het is voor mij zonneklaar dat de componist daarbij de vlijmscherpe Bulgaarse folkloristische zang in gedachten had (bij voorkeur boerinnestemmen, zo noteerde de componist weinig realistisch).

Veel beter klonk Echange, een werk uit 1989, voor de basklarinet van Harry Sparnaay met een ensemble van dertien instrumenten. De première in Paradiso destijds had vanwege de matige akoestiek een veel diffusere werking, zodat pas nu bleek hoe rijk geschakeerd Xenakis juist recentelijk componeert. De stukken van vroeger, zoals Eonta, zijn helser en radicaler. Dat geldt zeker voor een werk als Gmeeoorh dat op het openingsconcert de gehele Sint Bavo deed trillen in helse explosies, overigens moeiteloos door Klaas Hoek gerealiseerd. Lenig als een kat musiceerde claveciniste Elisabeth Chojnacka, die met Xenakis' Naama en Khoai het slotconcert voor haar rekening nam.