Elke week nieuw Frans schandaal

PARIJS, 23 NOV. Schandalen van allerlei aard volgen elkaar in Frankrijk in hoog tempo op. De meeste hebben te maken met illegale financiering van politieke partijen, met de regerende socialistische partij voorop. Maar onthullingen over de ondergang van een zakenman in Lyon hebben ook een vreemd licht geworpen op de media en vooral op de praktijken van vedetten van de televisie.

Het grootste schandaal blijft uiteraard de affaire van het met het aids-virus besmette bloed dat Franse hemofiliepatienten in 1985 kregen toegediend. Op korte termijn zullen drie oud-ministers die destijds politiek verantwoordelijk waren - oud-premier en de huidige socialistische partijleider Laurent Fabius, ex-minister van sociale zaken en gezondheid Georgina Dufoix, en ex-staatssecretaris van gezondheid Edmond Hervé - formeel in staat van beschuldiging worden gesteld. Ze zullen verantwoording moeten afleggen voor een speciaal Hoog Hof, dat is samengesteld uit afgevaardigden van de Senaat en van de Nationale Vergadering.

Maar Georgina Dufoix, die eerder dit jaar moest aftreden als voorzitter van het Franse Rode Kruis wegens haar aandeel in de affaire-Habasj (de bejaarde Palestijnse terrorist die in een Parijs' ziekenhuis werd opgenomen zonder dat enige minister daarin van tevoren was gekend) kwam vorige week opnieuw in opspraak. Uit een justitieel onderzoek zou zijn gebleken dat in 1985 twee miljoen franc in haar verkiezingskas werden gestort, "smeergeld' dat betaald werd door een Amerikaanse firma die een kostbare (20 miljoen francs) "super-scanner' (IRMN: imagerie à résonance magnétique nucleaire) leverde. Mevrouw Dufoix, een goede vriendin van president Mitterrand en thans "gedelegeerde voor de strijd tegen drugs' heeft de beschuldiging van de hand gewezen.

Dufoix kondigde tevens aan dat ze aanklachten wegens laster zou indienen tegen de auteurs van boeken en artikelen in kranten (zoals Le Monde die deze affaire aan het licht bracht). De ex-minister die “haar naam niet langer door de modder zal laten halen”, heeft zich al eerder een reputatie verworven met haar uitspraak dat ze “verantwoordelijk maar niet schuldig” is inzake het schandaal bij de bloedtranfusiedienst.

Haar impliciete beschuldiging aan de media viel samen met die van de burgemeester van Lyon, Michel Noir, die zich in dezelfde uitzending eveens beklaagde over “journalisten die zich gedragen als pseudo-procureurs van een parallelle justitie”. Noir die ooit als de Franse Kennedy gold, verbrak met zijn uitspraken zijn lange stilzwijgen over de affaire-Botton, die hem en enkele tv-vedetten in verlegenheid heeft gebracht. Pierre Botton is de schoonzoon van Noir en zijn voormalige campagneleider. In 1989, kort na zijn verkiezing tot burgemeester van Frankrijks tweede stad, kwam het tot een breuk tussen beiden, wellicht omdat Noir begreep dat de levensstijl van zijn schoonzoon tot problemen zou leiden.

Pierre Botton bevindt zich, verdacht van allerlei malversaties, al zes maanden in voorarrest na een opmerkelijke carrière als zakenman die na een bescheiden start in het burgerlijke Lyon de extravanganties van Beverley Hills wilde nabootsen. Als eigenaar van een ondoorzichtig conglomeraat van een twintigtal grote en kleine firma's probeerde Botton zijn grote voorbeeld, de business-tycoon/politicus Bernard Tapie te evenaren. Om zijn imago op te vijzelen omringde hij zich met de vedetten van de televisie, die hij gastvrij onthaalde - zoals Tapie socialistische ministers ontving aan boord van zijn jacht in de plezierhaven van Marseille. De belangrijkste onder Bottons gasten was Patrick Poivre d'Avor, in de wandeling bekend als PPDA, de presentator van het nieuwsjournaal van TF 1, de meest bekeken en grootste commerciële Franse tv-zender.

Botton, de "koningsmaker' van zijn schoonvader, gaf echter veel uit aan de Ferrari's en Lamborghini's waarin hij zijn gasten vervoerde en zijn imperium stortte begin dit jaar ineen. Tot overmaat van ramp kreeg hij ook nog ruzie met Tapie over de overname van een winkelketen (La Vie Claire, dieetprodukten) waarvan Botton uiteindelijk afzag omdat de balansen hem niet aanstonden. Tapie (“mensen die hun zaken niet betalen, maak ik kapot”) liet dat echter niet op zich zitten. En Tapie heeft vrienden met meer invloed dan Botton, zoals de ex-minister van de begroting, Michel Charasse, thans senator, die tevens als vertrouweling van president Mitterrand geldt.

De justitie in Lyon kreeg enkele maanden geleden ongevraagd de beschikking over het belastingdossier van Botton (de belastingdienst valt onder de minister van de begroting). En twee weken geleden doken een aantal pikante gegevens uit dit dossier in Parijse kranten op. In zijn boekhouding, waaraan overigens geen hoog waarheidsgehalte mag worden toegekend, vermeldde Botton talrijke en kostbare uitgavenposten voor "promotiereizen' met PPDA en andere tv-sterren die zich met politieke verslaggeving bezighouden. Poivre d'Avor verklaarde formeel dat hij geen weet heeft van de meeste reizen die Botton vermeldde en dat hij niets onoirbaars had gedaan.

De TF 1-presentator, die met zijn salaris van circa 350.000 gulden per jaar voor zijn vertier niet afhankelijk lijkt van gratis reisjes, ziet in de onthullingen de hand van het Elysée (Charasse-Mitterrand) waar hij en TF 1 als "burcht van het kapitalisme' niet geliefd zijn. Andere media-deskundigen zien een groter gevaar, namelijk het in diskrediet brengen van de televisie, als belangrijkste nieuwsmedium en de media in het algemeen. De beschuldigingen van burgemeester Noir en van mevrouw Dufoix over journalisten als "pseudo-procureurs' dragen bij tot de vertroebeling van het beeld van de wereld van de communicatie waarin, zoals Le Monde vaststelde, “pennen vaak geleid worden in plaats van opheldering te geven”.

Een mogelijk voorbeeld van dergelijke beïnvloeding was het besluit van de staatszender Radio France International af te zien van een vraaggesprek met een journalist, Edwy Plenel van Le Monde over diens recente boek La part d'ombre (Het schaduwdeel). Plenel plaatst daarin veel vraagtekens over Mitterrand als medewerker van het Vichy-regime voordat hij zich in 1942 bij het verzet aansloot. Een directeur van RFI verbood de uitzending wegens “kritiek op de president” - een beslissing die volgens Plenel er wellicht “een is van vleiers die de koning een plezier willen doen”, maar die ook kan zijn ingegeven door een telefoontje van het Elysée.