Devaluatie moet vertrouwen in Spaanse economie herstellen

MADRID, 23 NOV. De Spaanse regering heeft gisteren aangekondigd dat de devaluatie van de peseta vergezeld zal gaan van een pakket “structurele maatregelen” die de concurrentiekracht van de nationale economie moeten verbeteren. Minister Solchaga van financiën en economische zaken denkt hierbij aan een korting op pensioenen en uitkeringen, liberalisering van de arbeidsmarkt en matiging van salarisstijgingen, te beginnen met die van de ambtenaren. Vandaag al zijn de beperkingen opgeheven die het niet-ingezetenen onmogelijk moesten maken om in peseta's te speculeren. De centrale bank verhoogde de interbancaire rente vanochtend met 0,75 procent (naar 13,75) in een poging het vertrouwen van buitenlandse investeerders weer enigszins te herstellen en om duidelijk te maken dat inflatiebestrijding een hoofddoel blijft van de Spaanse monetaire politiek.

Oppositie en vakbonden aanvaarden de tweede devaluatie van dit najaar als onvermijdelijk, maar zien de stap tegelijkertijd als een bewijs voor het falen van het totale economische beleid. Ze hebben niet alleen het aftreden van Solchaga geëist maar ook gevraagd om vervroegde verkiezingen. Premier Gonzalez heeft eerder gezegd daar niets voor te voelen. Hij mag nog wachten met het uitschrijven van verkiezingen tot uiterlijk 3 december van het volgend jaar.

De devaluatie van dit weekeinde kwam niet als een verrassing. Al kort nadat de Spaanse munt tijdens de valutacrisis van september door toedoen van de markt met zes procent in waarde was gedaald en in overleg binnen het EMS vijf procent was gedevalueerd, kwamen er signalen dat deze bijstelling onvoldoende was. Minister Solchaga drong daarom niet alleen bij zijn collega's maar ook in het openbaar voortdurend aan op een “gecoördineerde herschikking” van het EMS. Hij had daarvoor bijvoorbeeld zijn hoop gevestigd op de mini-top van Birmingham, waarvoor echter uiteindelijk de ministers van financiën niet eens werden uitgenodigd.

Gebrek aan coördinatie is in Spaanse ogen dan ook de afgelopen maanden het grootste probleem geweest van het Europees monetair beleid. De regering-Gonzalez meent dat ze het vertrouwen van het buitenland zou beschamen en binnenlands onherstelbaar gezichtsverlies zou lijden wanneer Spanje in navolging van Groot-Brittanië en Italië het systeem zou verlaten. Die mogelijkheid heeft zij voor zichzelf uitgesloten. Maar daardoor is zij sterk afhankelijk van de medewerking van haar Europese partners wanneer het er om gaat weerstand te bieden aan neerwaartse druk op de eigen munteenheid.

Eind vorige week werd die druk ondraaglijk. De forse renteverhoging in Denemarken en Noorwegen, die weer een reactie was op de val van de Zweedse kroon, bracht de markt weer eens heftig in beweging en daaronder leden in de eerste plaats de zwakste munten: de peseta, de Portugese escudo en het Ierse punt. De Spaanse centrale bank gaf vrijdag drie miljard dollar uit om de munt te beschermen. Daarmee was in één dag zo'n zes procent van de totale deviezenvoorraad opgesoupeerd. Donderdagavond stelde Solchaga aan zijn Franse collega Michel Sapin voor in het weekeinde een spoedvergadering van het Monetair Comité te houden, om nieuwe grootschalige interventies op maandag te voorkomen. Sapin ging akkoord en vrijdag stemde ook de Duitse minister Waigel in met het verzoek. De marathonvergadering van zaterdag drong er echter bij de Spanjaarden en de Portugezen op aan, dat de devaluatie meer dan een op zich zelf staande, tijdelijke verlichting zou betekenen. Zij moest gepaard gaan met maatregelen die het vertrouwen in de economie herstelden, in de eerste plaats met een volledige afschaffing van de beperkingen die met name Spanje na de crisis van september aan de valutahandel had opgelegd.

Vakbonden en werkgeversorganisaties dringen al geruime tijd aan op een ingrijpende wijziging van het economisch beleid, dat tot dusver vrij eenzijdig gericht was op inflatiebestrijding en het geleidelijk terugdringen van het begrotingstekort. In verschillende toonaarden en met uiteenlopende varianten vragen zij om een politiek die op stimulering van de afnemende bedrijvigheid is gericht. Maar dat is iets heel anders dan de vergadering in Brussel in gedachten had.

Een lagere koers van de peseta geeft uiteraard een impuls aan de export en het toerisme en zorgt zo voor extra inkomsten. Maar de Spaanse handelsbalans vertoont een groot structureel tekort en duurdere import jaagt de inflatie juist weer aan. Toch sprak Solchaga ook dit weekeinde nog de hoop uit dat een lager inflatiecijfer hem volgend jaar zou helpen de aan dit cijfer gekoppelde overheidsuitgaven (pensioenen, uitkeringen) in te perken. Door de meeste commentatoren wordt het in vervulling gaan van deze hoop als weinig realistisch van de hand gewezen. Probleem is, dat niet alleen de minister maar ook regeringsleider Gonzalez zich in de afgelopen weken nog eens in niet mis te verstane bewoordingen hebben vastgelegd op het aanhouden van de huidige koers. Ondanks de absolute meerderheid van de socialisten in het parlement is een wijziging van het economisch beleid zonder vervroegde verkiezingen daardoor vrijwel ondenkbaar geworden.

    • H.M. van den Brink