Twee volken

Woensdag ben ik autopassagier geweest, van Amsterdam naar Bergen. We reden eerst een paar keer verkeerd, gingen door twee tunnels, raakten weer in de buurt van Amsterdam, passeerden nog een tunnel en kwamen tenslotte op een weg die me bekend voorkwam: de oude snelweg naar Alkmaar. Ongeveer halverwege onze eerste dwaalweg had ik de schoorstenen van het Zaanse industriegebied al gezien, maar als die er niet waren geweest had ik me in een onbekend land gewaand. Het zelfde gevoel van verplaatst-zijn, lichte graad van ontworteling, overkomt me als ik, ook weer naast iemand in een auto, in de buurt van Duivendrecht of Diemen terecht kom. Waarschijnlijk zou ik even beheerst-verwilderd kijken op de snelwegen in de omtrek van Zwijndrecht of Werkendam. Ik noem een paar willekeurige stadjes waarvan ik veronderstel dat ze omringd zijn door geasfalteerd weiland.

Bijna dagelijks vlei ik me met de gedachte dat ik mijn land goed ken. Maar welk land is het eigenlijk? In Plato's Politeia is een verhelderende rol weggelegd voor een man die in een grot zit, met zijn rug naar de opening. Van de voorbijgangers ziet hij alleen de schaduwen op de wand. Daardoor is hij ervan overtuigd dat alle mensen plat zijn behalve hij zelf. Dit is hier het leidende denkbeeld.

Zeven jaar geleden heb ik mijn laatste auto weggedaan, vrijwillig, omdat ik het ding niet meer nodig had en van het autorijden verzadigd was. Daarop volgde de herontdekking van het openbaar vervoer en daarop de herontdekking van land en volk. Uit het raam van de trein zie je een heel ander land dan door de voorruit van de auto en in de coupé zitten andere mensen dan achter het stuur. De automens ziet de treinmens terwijl de trein voorbij raast en hij moet wachten. De treinmens ziet de automens in twee toestanden: wachtend voor de gesloten bomen, of rijdend, gekromd achter het stuur als spoor en snelweg parallel lopen, zoals even ten noorden van Leiden, op de Veluwe en tussen de Moerdijk en Dordrecht. Met andere woorden, en volgens de logica-Plato: automensen zien treinmensen als een tot streep vervormd collectief, verpakt in een cocon. Treinmensen zien automensen als gekromde, meestal wachtende landgenoten.

Dit is nog maar het begin van het onderscheid. De automens ziet van zijn land voornamelijk een geëgaliseerde reep, maar er komen steeds meer van die repen bij; hij ziet, paradoxaal, een land dat met behoud van hetzelfde uitzicht snel verandert. Van de trein uit bekeken verandert het natuurlijk ook - denk aan het traject Amsterdam CS-Abcoude, of het Rotterdamse spoor van stadsgrens tot stadsgrens - maar tot dusver zien we uit de trein nog altijd meer van vroeger dan van nu.

Op onze weg van Amsterdam naar Bergen reden we opeens over een spiksplinternieuwe weg die aan beide zijden begrensd was door glanzende geluidswerende muren met een ovaal profiel. Hier en daar waren langwerpige kijksleuven en ontsnappingsdeuren. Verderop torende een roestbruine bergtop, veel hoger dan de muur. Dat was de Mount Everest van een autokerkhof. Daarna nog een bergtop, groen: een oefenplaats voor skiliefhebbers liet ik me vertellen. Nederland mijn vaderland! 't Was onherkenbaar. Plotseling schoot het me te binnen dat er cohorten landgenoten zijn die niets anders kennen dan wat ik daar voor het eerst zag, en die juist van de ene verbazing in de andere vallen als ze toevallig in de trein terecht komen. Zou ik werkelijk oud worden? Welnee! Ik had een andere manier van leven gekozen.

Dit is het merkwaardige. Als je naar Limburg of Oost-Groningen gaat, weet je dat je andere landschappen met andere mensen tegenkomt. Je gaat - over het algemeen voor je plezier - je geprefabriceerde verbazing of verwondering tegemoet. Dit is anders. Je verkeert in de overtuiging dat je je door het vertrouwde beweegt, en daar wordt uit een hinderlaag een overval op je netvlies gepleegd. Ik wil niet zeggen dat het onaangenaam of aangenaam is. Het maakt nieuwsgierig, het wekt de lust tot beredeneren: het zo zo! dat op de verbazing volgt, en dan het: ja, zo is het, als je je verbazing hebt getemd, gedomesticeerd en ondergebracht in de hokken waar de vertrouwde begrippen wonen.

Een vergelijkbare sensatie overkomt de schaatsende Nederlander als het ijs dik genoeg is om van het midden der sloten de polder te bekijken. Kees van Langeraad, Kyril Gradov en Piet Grijs hebben over die verrassing mooi geschreven: het blauwzwart van het ijs, het waterblauw van de winterlucht, het grijsgroen van de weilanden en het enige geluid: het krassen van de schaatsen. Dan ben je plotseling ook in een ander land terecht gekomen. Uit veel Nederlanden zou je zo vlug mogelijk willen emigreren (Nederland emigratieland), maar uit dit Nederland niet.

Er is één bestanddeel van het perspectief dat de Nederlandse automens en treinmens even vertrouwd moet voorkomen. Om dat uit te leggen veroorloof ik me nog een korte inleiding. We verplaatsen ons in de Middeleeuwen en we zijn een reiziger te paard, aan het einde van een lange dagrit. Het is winter, de wanhoop van de eenzaamheid besluipt al onze ziel, als we aan de einder de contouren van de torens van een burcht, een kasteel of een stadspoort zien. Warmte en veiligheid.

Die torens zijn er nog, hoger en massiever dan ooit: de betonnen bastions van de telecommunicatie, de onneembare vestingen, de betrouwbare verdediging tegen de nieuwe nationale erfvijand die het water heeft vervangen: de verveling. Treinmens en automens zien zo'n toren en denken dan eendrachtig: Ha, straks televisie.

    • S. Montag