SOMALIË

De Hoorn van Waanzin. Soedan, Ethiopië, Somalië door Els de Temmerman 224 blz., geïll., Davidsfonds 1992, f 44,95 ISBN 90 6152 773 2

We hebben alweer een tijdje niets over Somalië gehoord, een paar verdwaalde berichtjes daargelaten, over de duizend mensen die er per week in de stad Bardera sterven, en over de krijgsheer Aidid die dreigt VN-soldaten te beschieten wanneer ze komen om de allerlaatste Somaliër te begraven. Verder geen nieuws. Somalië is de beste illustratie van de klacht die Andrew Buckoke in een van zijn boeken formuleerde: als er weer ergens in Afrika hongersnood heerst, komen de buitenlandse media even langs om te voldoen aan de voyeuristische behoefte van het thuisfront aan een beeldscherm vol geweld en leed in dat amusant-primitieve Afrika, veilig ver weg. Nieuws is geen nieuws zolang de tv niet is langsgeweest, en omgekeerd is iets geen nieuws meer zodra de tv is vertrokken.

Het ideale verhaal over Afrika gaat over pygmeeën met aids, aldus Buckoke. Hoewel ook Somalië het goed deed: veel honger en veel oorlog. Maar de pygmeeën zijn beter, want Somalië is veel te gevaarlijk: al die clans en subclans hebben zich meester gemaakt van de wapenbergen die Oost en West tijdens de Koude Oorlog hebben gestuurd, elke halfwas draagt een kalasjnikov en gebruikt die ook. En dus zijn de tv-boys vertrokken. En prompt is Somalië geen nieuws meer.

Els de Temmerman is een uitzondering: zij ging er wel heen, ook toen je in Mogadishu geen stap buiten de deur kon zetten zonder te worden beschoten door piepjonge kinderen met machinegeweren. Haar boek De Hoorn van Waanzin is een indrukwekkend resultaat van een reeks reizen naar Somalië, Ethiopië en Zuid-Soedan, die Hoorn van Afrika die de afgelopen tien jaar het afschrikwekkend toneel zijn geweest van een kennelijk oneindige reeks van hongersnoden en burgeroorlogen. Indrukwekkend omdat het boek voldoet aan het belangrijkste criterium voor goede verslaggeving: het brengt niet alleen de misère in kaart, maar het plaatst die ook in de context; het raakt de onderliggende oorzaken en het spaart niemand, noch de war lords van de drie besproken landen, noch organisaties als de VN, maar ook niet de internationale hulporganisaties die in het geval van Somalië al te lang vanuit prettige hotels in Nairobi fact finding missions hebben gestuurd die vervolgens tot de conclusie kwamen dat de honger in Somalië een hele generatie uitroeide, maar dat het helaas te gevaarlijk was om hulp te verlenen, en die zich in het geval van Soedan nogal eens laten gebruiken door een meedogenloos en fundamentalistisch regime dat alles doet om hulpverlening aan de hongerende bevolking van Zuid-Soedan te voorkomen.

Zelfs voor zichzelf is Els de Temmerman van tijd tot tijd heel streng, want na weer een dag van tellen en wegen van ondervoede en niet meer te redden kinderen kwam de avond, en dan trokken de hulpverleners - waartoe ze toen nog behoorde, ze werd pas later journaliste - zich terug in hun veilige ommuurde huizen en constateerden ze bij een glas araki en een bango-sigaret hoe belangrijk ze waren, ""en dat het toch wel zin had, al spraken we hun taal niet, begrepen we hun godsdienst en cultuur niet en hadden we er geen benul van wat ze wilden''.

Je moet van goede huize komen om de waanzin van de Hoorn van Afrika überhaupt op papier te krijgen: de helft van de honderd tot honderdvijftig patiënten die dagelijks in een ziekenhuis van Mogadishu werden afgeleverd (nu zullen het er wel meer zijn - als het ziekenhuis nog bestaat) zijn slachtoffers van de anarchie, ""kinderen die gestolen auto's in de prak rijden, slapende mensen die getroffen worden door kogels die in de lucht worden afgevuurd en door de zinken daken dringen, schietpartijen bij plunderingen door georganiseerde jongerenbendes. Ze kijken eerst over hoeveel munitie de bewakers beschikken. Als ze denken dat ze het kunnen halen, vuren ze erop los. Gedood wordt hier om een emmer water, een plaats op de bus, de verdeling van de buit, of gewoon, per vergissing of in een zatte bui.'' De Temmermans vriend Wim van Boxelaere werd doodgeschoten om een zak graan.

Het gevaar bij de beschrijving van menselijk leed op de schaal van Zuid-Soedan, Ethiopië en Somalië af te glijden naar goedkoop sentimentalisme of juist vast te lopen in het cynisme dat bij oorlogsverslaggevers nogal eens schijnt voor te komen, is levensgroot. Op een of twee kleine passages, waar verdriet en machteloosheid te groot worden, is daar nergens in dit boek sprake van. ""Ik lees de absurde verhalen die pagina na pagina mijn notaboeken vullen, niet meer in staat ze in te passen in een westerse logica van oorzaak en gevolg, van goed en kwaad en redelijkheid. Het is alsof de Somalische realiteit je voortdurend op het verkeerde been zet.''