Sjtetl aan de Schelde

De Antwerpse joden zijn een unicum in de wereld. Ze vormen een hechte, sterk religieuze gemeenschap die zichzelf met succes van de buitenwereld afsluit. Maar hoe lang blijft hun zelfverkozen isolement nog intact? De economische recessie en de opmars van het Vlaams Blok, dat een jaar geleden een grote verkiezingswinst boekte, slaan diepe scheuren in hun bastion. "Bij sommige ouderen staan de valiezen klaar, als het moet zijn ze binnen een dag weg.'

In zijn winkel tegenover het spoor aan de Simonsstraat draagt Menczer Lazar, net als hij vroeger in Joegoslavië gewend was, een lange zwarte jas met bijpassende hoed. Mompelend en nu en dan moeilijk te volgen grapjes makend, schuifelt hij rond tussen de verzamelingen munten, postzegels, kandelaars en zilverwerk die liggen uitgestald naast kasten vol boeken en folianten, variërend van 250 recepten uit de Joods-Spaanse keuken tot de in leer gebonden Kabbala.

Sinds zijn aankomst in Antwerpen, nu 45 jaar geleden, is het Menczer goed gegaan. Hij beroemt zich op een internationale klantenkring, die vooral is geïnteresseerd in zijn rijke collectie boeken in het Hebreeuws en Jiddisch. De beste afnemer tot nu toe was een Nederlander: een man uit Noord-Holland die, zoals een beduimelde kantooragenda uit 1984 aantoont, slechts kwam voor een menora, maar vertrok met goederen ter waarde van 300.000 frank.

Omdat het vrijdagmiddag is en hij op tijd klaar moet zijn voor de sabbat, houdt Menczer het als de telefoon gaat kort: ""Nee, die afspraak gaat niet, Madame is momenteel niet gesund'', hoor ik hem zeggen. Nog snel enige orde op zaken brengend, meldt hij even later trots alle talen te spreken. ""Ik heb het handig gedaan: inplaats van lessen te nemen, pikte ik van ieder die in de winkel kwam één woord. De klanten gingen niet armer weg, maar ik bleef rijker achter.''

Wanneer de schemer valt, gaat Menczers winkel tot zondagochtend op slot. Iets verder in de straat doven de lichten bij het Restaurant American Style annex beenhouwerij Dresdner, een onderneming die volgens een bord op de deur onder toezicht staat van het rabbinaat. Om de hoek, in de Lange Kievitstraat, sluiten Farkas' handel in gevogelte, de viswinkel van Moskovitz met zijn "schokkend lage prijzen' en de Kosher King praktisch tegelijkertijd hun deuren. Bij banketbakkerij Kleinblatt aan de overkant van de spoorbaan, een van de weinige joodse winkeliers die de oorlog overleefden, doet een rebbe nog gauw wat inkopen voor de armen.

Kort daarna, als op deze herfstdag in de maand Marchesjvan van het jaar 5753 de zon bijna onder is, gaan overal in dit stadsdeel groepjes mannen op weg naar de synagoge. Net als Menczer Lazar zijn zij gehuld in lange donkere jassen, waartegen hun wijduitstaande witte, grijze en rossige baarden opvallend afsteken; als bescherming tegen de regen, hebben sommigen hun hoeden afgedekt met plastic. Een flink aantal van hen begeeft zich naar de sjoel aan de Van den Nestlei, een gebedshuis waar vreemdelingen niet zonder meer welkom zijn sinds zich hier in 1986 een bomexplosie voordeed.

Bij de ingang word ik staande gehouden door een man in een regenjas, die me na bestudering van mijn paspoort onder de hoede stelt van een gemeentelid. Wanneer we vooraan in de synagoge een plaats hebben gevonden, duwt deze me een Hebreeuws gebedenboek in de hand. Dat leidt tot enige ongemakkelijke momenten, maar daaraan komt een eind als voorzanger Benjamin Muller en zijn drie zonen zich laten horen. Zolang hun stemmen de ruimte vullen, heeft een buitenstaander het gevoel dat ook hij een plaats vond in de veilige cirkel van de Eeroev: een eigen afgeschermd domein in een stad, dorp of landstreek waarbinnen joden, hoe uiteenlopend hun achtergrond ook is en vanwaar zij ook komen, met elkaar een gemeenschap vormen.

Hecht

Als grenzen van de Antwerpse cirkel dienen de Schelde, de E3-snelweg, spoorwegen, hoogspanningskabels en voor dit doel aangebrachte draden. Hoewel een dergelijke afbakening elders in onbruik is geraakt, ziet het plaatselijke rabbinaat erop toe dat de kring intact blijft. Deze "omheining', zoals de term luidt, accentueert de belangrijke rol van Antwerpen in het joodse leven. Het aantal inwoners van joodse afkomst mag er kleiner zijn dan in New York, Londen en zelfs Brussel, hier vormen ze meer dan elders een hechte, duidelijk aanwezige bevolkingsgroep. Om deze reden staat de stad tot in Israel bekend als het Jeruzalem van het noorden, een predikaat dat voor de oorlog was voorbehouden aan Amsterdam.

De 15.000 joodse ingezetenen van Antwerpen vonden er tot voor kort een redelijk stabiel klimaat. Zij stichtten er 35 grote en kleine synagogen, die vele richtingen vertegenwoordigen. Van eenheid is dus geen sprake, maar de verschillende groeperingen hebben met elkaar gemeen dat zij streng religieus zijn. Een poging een liberale gemeente op te richten, moest niet zo lang geleden worden gestaakt: voor dit initiatief bestond eenvoudig geen belangstelling.

Jacques Wenger, directeur van het als Antwerpse "ontmoetingsplek' opgezette Romi Goldmuntz Centrum, vermoedt dat de hang naar orthodoxie het gevolg is van de oorlog. ""Na wat er was gebeurd, kon men in onze kring niet neutraal blijven en op de oude voet voortgaan. Sommigen keerden zich af van God en het geloof, maar hier deden vele anderen juist het omgekeerde. Levend in een vijandig gezinde wereld die hun afkomst benadrukt, besloten zij dan ook maar echt joods te worden en terug te keren tot de wortels.''

De gevolgen daarvan zijn duidelijk waarneembaar. ""Het jodendom in Antwerpen is joodser dan in de meeste andere steden'', stelt Ludo Abicht, docent filosofie en schrijver van onder meer de bundel De joden van Antwerpen. ""Een zin als Wir sind fromm, unsere Kinder noch viel frommer tekent aardig de sfeer, zeker die in de chassidische wijk waar ik een tijdlang woonde. Onder de mensen daar heerst een sterk groepsverband, dat zijn basis vindt in Oost-Europa. Vandaar namen zij de zeden en gewoonten van hun sjtetl mee - in veel gevallen tot in de concentratiekampen en, door een speling van het lot, soms tot in Antwerpen. In afwachting van de komst van de messias kiezen zij ook hier de moeilijkste weg: één die is geplaveid met 631 geboden.''

In navolging van de legendarische Baäl Sjem Tov, een Poolse wunderrabbi uit de achttiende eeuw, willen de chassidiem God niettemin vrijmoedig en met vreugde dienen. Zeker de mannen en de jongens onder hen is het er echter niet om te doen deze opvatting uit te dragen. In zwarte pakken snelwandelend door de Jacob Jacobsstraat, hun pijpekrullen dansend in de wind, maken zij met hun bleke gezichten duidelijk dat ze de opdracht tot lernen ernstig nemen.

De chassidische joden zien hun kleding als een manier om zich af te schermen van de buitenwereld, maar juist daarom vallen zij daar sterk op. Hoewel hun aantal niet meer dan twintig procent bedraagt van de joodse bevolking in Antwerpen, bepalen zij het beeld dat van deze gemeenschap bestaat. ""Het gaat bij zoiets om de perceptie, niet om de werkelijkheid'', zegt opperrabbijn D.M. Lieberman in zijn ook overdag schemerduistere werkkamer.

""Veel Amerikaanse steden tellen meer joodse inwoners dan Antwerpen, maar omdat zij geassimileerd en dus onzichtbaar zijn staat niemand daar bij stil. Vergeleken bij hen vallen wij hier sterk op. Vandaar misschien dat de New York Times pas schreef dat er in deze stad 50.000 joden wonen: kennelijk beïnvloed door het geruis dat wij maken, telde de krant er 35.000 te veel.''

Vlaams Blok

Afgezien van enkele bomaanslagen, waaronder één ernstige, waren de naoorlogse jaren voor de joodse bevolkingsgroep voorspoedig. Aan deze periode is nu een eind gekomen. De stemmenwinst voor het ultrarechtse Vlaams Blok, bijna een jaar geleden, was een zware klap die in deze kring onrust en verdeeldheid bracht.

Zorg baart ook de situatie in de diamanthandel en -nijverheid, waarin 85 procent van de Antwerpse joden direct dan wel indirect zijn bestaansgrond vindt. Terwijl de stad zich een eeuw na de opening van de eerste diamantbeurs presenteert als de Diamanthoofdstad van Europa, leidt de recessie in deze sector tot steeds ernstiger problemen. Deze worden nog verscherpt doordat de nijverheid de afgelopen tijd grotendeels is verplaatst naar India, Thailand en Sri Lanka. Als een belangrijke reden hiervoor noemen insiders de nieuwe arbeidswetgeving, die de loonkosten in België te zeer opvoerde. In tien jaar tijd resulteerde dat in een verlies van zeker 10.000 arbeidsplaatsen; sommigen begroten de terugval zelfs op anderhalf tot tweemaal dit aantal. De gevolgen daarvan zijn niet alleen te merken in de joodse wijken, maar ook in de Kempen waar een deel van de diamantslijpers nu werkzaam is in een carrosseriefabriek.

Diamantair Roger Wagemans, voorzitter van het Syndikaat der Belgische Diamantnijverheid, wijt de ontmanteling van de branche vooral aan de ""pure hebzucht'' en ""steeds agressiever wordende arrogantie'' van een handjevol collega's. Voor het blad van zijn bond vervatte hij deze beschuldiging in een J'accuse, dat de redactie slechts wilde plaatsen als ingezonden brief. Het betoog veroorzaakte intern de nodige commotie, die volgens de verhalen een rol speelde bij het gedwongen vertrek van Bram Fischer als voorzitter van de Hoge Raad voor Diamant. Aan het standpunt van Wagemans heeft dit alles niets veranderd. ""Veel is hier te gronde gericht door opportunisten die uit zijn op kort gewin'', stelt hij in zijn kantoor binnen de Diamantclub van Antwerpen. ""Met elkaar vormen deze mensen een kartel dat de prijs van ruwe diamant kunstmatig opschroeft. Door dit streven naar super-winsten zijn veel mensen en bedrijven kapot gemaakt.''

De malaise in een groot deel van de diamantsector heeft voor de joodse gemeenschap dramatische consequenties. Meer dan waar ook is dat te merken bij de Centrale, een instelling die sinds 72 jaar materiële en morele hulp verleent in joodse kring. ""Vooral de zelfstandigen, bij voorbeeld kleine makelaars in diamanten, lijden onder de crisis'', zegt directeur Alexander Zanzer. ""Steeds meer mensen kunnen het niet bolwerken en vragen ons om hulp. Daardoor zijn onze uitgaven voor sociale bijstand fenomenaal gestegen. Per jaar besteden we daar nu 25 miljoen frank aan, een bedrag dat in korte tijd met 25 procent is gegroeid.''

De stijging wordt deels gecompenseerd door giften. ""Gelukkig heeft de joodse gemeenschap in Antwerpen een diepgeworteld gevoel van solidariteit'', aldus Zanzer. ""Het is een ingeburgerde gewoonte bij een huwelijk of na het afsluiten van een gunstige transactie een schenking te doen. Zo bekostigde de diamantair Goldmuntz het naar hem genoemde ontmoetingscentrum en gaven twee anderen geld voor een bejaardenoord. De Centrale profiteert nog steeds van deze traditie, maar de economische situatie zorgt ervoor dat de giften kleiner worden. Aangezien de uitgaven snel toenemen, is de vraag hoelang we ons werk naar behoren kunnen voortzetten.''

Omscholing

In een poging het aantal noodgevallen op termijn te verminderen, is de Centrale kort geleden begonnen met het ambitieuze project Omscholing. Op verzoek van Zanzer sporen de rabbijnen hun volgelingen aan in te schrijven voor een van de cursussen, die hen moeten opleiden voor een nieuw vak. Genoemd worden onder meer kapper, loodgieter, behanger, boekhouder, "mekanieker' en schoonheidsspecialiste.

De eerste barrière die velen moeten nemen is die van de taal. Hoewel het Nederlands aan invloed wint, zijn Jiddisch, Frans en (in mindere mate) Hebreeuws nog altijd de meest gebruikelijke omgangstalen. Louis Davids, redacteur van het Belgisch Israelitisch Weekblad, beijvert zich al jaren om hierin verandering te brengen door het Frans uit zijn blad te weren en "welsprekendheidstournooien' in het Nederlands te organiseren (hoofdprijs een reis naar Israel). Nadat zijn activiteiten twee jaar geleden werden bekroond met de Visser-Neerlandiaprijs, zochten rechtse groeperingen van dubieus-Vlaamse signatuur contact met hem. ""Na veel aarzeling ben ik op de uitnodigingen ingegaan. Ik grijp elke gelegenheid aan om contacten te leggen, om duidelijk te maken dat de joodse gemeenschap hart heeft voor de Vlaamse zaak. Bij een van die gelegenheden zei ik: "Het antisemitisme berust op primitieve domheden' en een andere keer "Leve de joods-christelijke vriendschap'. Toen ik daarop luid werd toegejuicht, kreeg ik tranen in de ogen.''

Velen in zijn omgeving keuren dergelijke toenaderingspogingen scherp af. Toch zien zij de noodzaak de nauwe cirkel te doorbreken en zich los te maken uit het isolement. Mogelijkheden daartoe vormen enkele joods-christelijke gespreksgroepen, waarvan de deelnemers volgens Ludo Abicht van gedachten wisselen over onderwerpen als het toenemende racisme. ""Deze dialogen zijn van het grootste belang'', vindt hij. ""Door zulke initiatieven neemt het wederzijds wantrouwen af.''

De ochtend na een Grand Bal in het Goldmuntz Centrum toont directeur Jacques Wenger zich minder optimistisch. ""Het is een mooi idee om met elkaar te praten, maar ik verwacht er weinig heil van. Veel joodse mensen vragen zich af wat de bedoeling is: zo gauw zij een priester of een deken in het gezelschap zien, slaat de schrik hun om het hart. Ze zijn ervan overtuigd dat er voor een katholiek nog altijd geen groter geluk bestaat dan het bekeren van een jood.''

Opperrabbijn Lieberman is al evenmin enthousiast. ""Waarom is het verkeerd dat wij in besloten kring ons eigen leven leiden? Door nauwe relaties aan te knopen met anderen verzwakken we het joodse bewustzijn. In Duitsland waren veel joden geassimileerd, maar heeft dat hen geholpen? En wat te denken van de Nederlandse joden? Zij hadden uitstekende betrekkingen met de rest van de bevolking, maar hun lot was verschrikkelijk.''

Thomas van Aquino

De joden die zich in de loop der tijden vestigden in België werden er, binnen zekere grenzen, van hogerhand getolereerd. In zijn boek Uw joodse buurman schrijft Sylvain Brachfeld dat de middeleeuwse heren van Vlaanderen de immigranten vanwege hun ""rijkdommen en schranderheid'' aanvankelijk welwillend bejegenden. Deze houding kreeg steun van Thomas van Aquino die vond dat de joden, ofschoon minderwaardige wezens, de kans moesten krijgen te overleven. Ondanks deze ruimhartigheid werden zij in de veertiende eeuw aangemerkt als verspreiders van de zwarte pest en, niet lang daarna, als hostieschenners - een beschuldiging die velen op de brandstapel bracht.

Hoewel Antwerpen later een toevluchtsoord was voor uit Spanje en Portugal gevluchte sefarden, bleef het aantal joodse ingezetenen beperkt tot (in 1846) 345 personen. Eind vorige en begin deze eeuw kwam hierin verandering door pogroms in Oost-Europa, die duizenden via België op de vlucht deed slaan naar Noord- en Zuid-Amerika. Een deel van deze Ost-Juden, zoals de afschrikwekkende term luidt, bleef achter in Antwerpen en vond emplooi in de opgebloeide diamantindustrie. De machtsovername door Hitler in 1933 leidde tot een nieuwe immigratiegolf, waardoor het aantal joodse inwoners van Antwerpen steeg tot 50.000.

Gezien hun eigen ervaringen hadden velen onder hen sympathie voor het Vlaamse verzet tegen de Waalse overheersing. In zijn boek wijst Abicht op het werk van joodse flaminganten als Nico Gunzburg en het Vlaamsgezinde onderwijs aan de orthodox-joodse school Jesode Hatora, waarvan de leerlingen bij demonstraties "Alles voor Vlaanderen, niets voor België!' riepen. Maar deze solidariteit kon het tij niet keren: tijdens de Guldensporenfeesten in 1937 werden de ruiten ingegooid van joodse huizen en synagogen en twee jaar later besloot de Vlaamse Balie joodse leden uit te sluiten. Niettemin toonde de overheid in België zich tijdens de bezetting toeschietelijker tegenover de joden dan de Nederlandse. Deze in Duitse ogen slappe houding droeg ertoe bij dat het percentage onderduikers in België, mede dank zij hulp van de kerk, groter was dan in de meeste Europese landen.

Eerder al hadden velen hun lot in eigen hand genomen. Anders dan de joden in Nederland, die zich na een aanwezigheid van vele generaties veilig waanden, zocht een derde van de Belgische joden tijdig een goed heenkomen in Zwitserland, Portugal, Engeland en Zuid-Amerika. Van de bijna 55.000 overblijvenden verdwenen er circa 25.560 in concentratiekampen; 23.383 van hen keerden niet terug. In de stilte van zijn kantoor toont Alexander Zanzer me zes dikke boeken met hun namen: een door de Duitsers nauwgezet bijgehouden Jodenregister, dat wordt bewaard in de archieven van de Centrale. Van grote families beslaan de gegevens vaak vele pagina's, slechts een enkele maal blijkt uit de desbetreffende kolom dat iemand aan de vernietiging ontkwam. ""Vijftig jaar na dato zijn er steeds meer mensen die de massamoord ontkennen'', zegt een medewerkster. ""Maar deze boeken zijn het bewijs dat het geen fantasie is. Het is, hoe onvoorstelbaar ook, allemaal echt gebeurd.''

Nieuw leven

De grootmoeder van Monika van Paemel, de hoofdfiguur in haar roman Marguerite, heeft dat nooit kunnen verwerken. ""Toen mijn grootouders in 1936 voor een bankroet stonden, verhuisden ze naar de joodse wijk in Antwerpen'', vertelt de schrijfster in een café bij het Centraal Station. ""Hier, in deze buurt, begonnen zij een nieuw leven, hier werden ze uit de sores gehaald en opgenomen in een vriendenkring waarmee ze lief en leed deelden. Maar na de oorlog waren al hun vrienden verdwenen. Zittend op een bank in het Nachtegalenpark zag mijn grootmoeder hen voor zich, net als vroeger lachend, pratend en gebarend, maar even later realiseerde ze zich dat het allemaal voorbij was. Met wie kon zij nu nog kaart spelen en met wie gezellig kaaskoek of Sachertorte eten? Waar kon ze delicatessen kopen en bij wie haar bontjas laten keren? En was er nog een dokter die haar, als ze echt ziek was, zou kunnen helpen? Pas achteraf begreep ik wat ze heeft moeten doorstaan. Die barbarij, het gevoel van verlies... mijn grootmoeder is er nooit overheen gekomen.''

Bij de joden die de oorlog hadden overleefd, voegden zich na de bevrijding vluchtelingen die terugkeerden uit het buitenland. Ook kwamen er nogal wat immigranten, volgens Sylvain Brachfeld voornamelijk displaced persons uit Oost-Europa. In de jaren tachtig volgde nog een groep sefardische joden uit Georgië, die in de omgeving van het station al gauw tientallen winkels voor goud en sieraden overnam. Sinds zes jaar vormt de groep in economisch opzicht een factor van betekenis, maar doordat de Georgiërs nauwelijks omgaan met anderen staan zij in sociaal opzicht alleen.

In de naoorlogse joodse gemeenschap was de sfeer aanvankelijk tamelijk liberaal. Alexander Zanzer herinnert zich dat het tot in de jaren zeventig in zijn kring "mode' was op zaterdag autotochtjes te maken en kritiek te oefenen op Israel. Nu is dat ondenkbaar. Onder invloed van het toenemend fundamentalisme en de angst als minderheid ten onder te gaan, ontstond een drang zich van de buitenwereld af te keren. De rijen sluitend, aldus Brachfeld, zoekt men nu in ""joodse homogeniteit en afzondering zijn geaardheid en veiligheid''. Tekenend is dat 95 procent van de kinderen onderwijs volgt aan joodse scholen, waar zij naast het reguliere programma wekelijks zestien uur les krijgen in godsdienst en de joodse levensleer.

Isolement

Zo is volgens Ludo Abicht een onzichtbare getto-muur opgetrokken, waarachter vooral de chassidische joden schuilgaan. ""Binnen die muur is een intensieve sociale controle. Wie rebelleert en de joodse levenswijze afwijst, weet dat hij het jodendom in zichzelf doodt; trouwen met een goj wordt gezien als verraad van het eigen volk. Het isolement is zo sterk, dat velen nauwelijks nog niet-joden kennen. Hoe gevaarlijk dat is bewijst de bezetting: degenen die de dans ontsprongen waren zij die mensen kenden buiten hun eigen kring.''

Het op ""gerechtvaardigd wantrouwen'' gebaseerde isolement ""zet kwaad bloed bij vele niet-joden die maar niet kunnen begrijpen waarom de joden zich zo afzijdig houden'', constateert Abicht. Het houdt ook wederzijds onbegrip in stand, waarschuwt Monika van Paemel. ""Je merkt het al aan de manier waarop mensen in de tram kijken naar joodse kinderen die, gehuld in hun blauwe uniformpjes, met elkaar Jiddisch en Hebreeuws spreken. Of aan de reactie van een omstander op de Antwerpse Boekenbeurs toen twee meisjes me pas in gebroken Frans vroegen "Est-ce-que vous signer?' Waarom praten jullie Frans, vroeg ik ze. "We kennen haast geen Antwerps', was het antwoord. "Nou, dat waren zeker weer joden', zei even later iemand naast me. Op zulke ogenblikken besef je eens te meer hoe gevaarlijk de taalbarrière is.''

Maar ook een uitstekende kennis van de landstaal biedt niet de garantie dat joodse ingezetenen zich in de stad thuis voelen. Een ex-inwoonster vertelt naar Nederland te zijn verhuisd omdat zij de uitingen van xenofobie niet meer kon verdragen. ""Hoewel de sfeer in enkele straten deed denken aan de boeken van Singer en de foto's van Vishniac, had je daarbuiten soms het gevoel dat je een Volksfeindliches element was. Op een dag in februari, de lucht was stralend blauw, hoorde ik mensen in een café tegen elkaar zeggen: "Ze hadden ze allemaal moeten vergassen'. Dat was geen incident. Op de tolkenschool leerden we van een antisemitische leraar Spaans uit een antisemitisch boek, in het restaurant waar ik een tijdje werkte had men het over gierige rotjoden en zo was er meer. Bij de vreemdelingenpolitie kreeg mijn vader, statenloos en sinds zijn verblijf in de kampen invalide, steevast een vernederende behandeling. Toen hij eens na uren wachten zei dat hij het niet langer vol kon houden, was het antwoord dat zijn "soort' kennelijk wel in staat was op zaterdag uren in het Stadspark te zitten.''

Onrust

Over hetzelfde park schreef Remco Campert jaren geleden een gedicht dat aldus eindigt:

de eenden in de vijver hebben geen jasjes aan en beleven weinig in het Stadspark waar de echte Antwerpenaar niet vaak meer komt vertelt mij een schrijver

modern

progressief

en vraag ik hem waarom dan zegt hij: omdat er zoveel joden zijn

en praat weer verder over

literatuur.

Gezien dit klimaat zorgt de groei van het Vlaams Blok, zeker nu de economische vooruitzichten slecht zijn, in brede kring voor onrust. Louis Davids van het Belgisch Israelitisch Weekblad behoort tot een kleine groep die vooralsnog optimistisch wil blijven. ""Zonder de zaak te bagatelliseren, moeten we het belang ervan niet overschatten'', vindt hij. ""Ik zie het Vlaams Blok als een voorbijgaand verschijnsel.'' Zeker is dat de partij zich ten aanzien van de joodse gemeenschap tot nu toe op de vlakte houdt. De reden daarvan is, naar verluidt, dat de leiders "de weldenkende burgers' niet willen verontrusten. Maar van alle burgers die Antwerpen telt, staat inmiddels wel een kwart aan hun zijde, stelt Jacques Wenger vast. ""De meeste aanhangers van deze partij zijn eenvoudige Vlamingen die, net als de Duitsers onder Hitler, worden meegezogen naar het racisme. Zonder het te beseffen duwen ze nazi's en bandieten naar voren.''

Wat er de komende tijd in Antwerpen gaat gebeuren ziet Monika van Paemel als een toetssteen: ""Leren we leven met etnische verschillen of gaan we eraan kapot?'' Van het Vlaams Blok verwacht zij wat dit betreft weinig goeds. ""Bovenaan de lijst staan de Marrokanen en de Turken en daarna pakken ze, nog voor het de beurt is aan "nestbevuilers' als ik, de joden. Het is voor hen van groot belang dat wij nu voor tegenwicht zorgen. Al was het maar in de vorm van een kleine geste, bijvoorbeeld het onder onze hoede nemen van de Annie Rutsky-prijs voor jonge musici: een door haar familieleden ingesteld maar door hen niet meer te bekostigen eerbewijs aan deze in de oorlog omgekomen pianiste. Zo'n gebaar draagt ertoe bij duidelijk te maken dat deze stad door de joodse aanwezigheid is verrijkt. Als er problemen zijn, zoek ik niet voor niets mijn joodse vrienden op - mensen die voor intellectuele noch emotionele kwesties schuw zijn en, belangrijker dan alles, begrip hebben voor verdriet.''

Antwerpenaren binnen de joodse cirkel vinden houvast in de wetenschap dat de autoriteiten aan hun zijde staan. ""Maar veel ouderen zijn bang'', weet Alexander Zanzer. ""Zij die het zich financieel kunnen veroorloven hebben een appartement in Israel. Naar het heet voor vakanties, maar ook om iets achter de hand te hebben als het nodig mocht zijn. Bij sommigen staan de valiezen klaar, als het moet zijn ze binnen een dag weg.''

Maar niet iedereen is nog bereid te vluchten. Een vrouw vertelt dat haar vader na een bomaanslag zijn huis in het centrum niet wilde verlaten. ""Hij bleef achter in een kamer, waarvan de ruiten door de explosie waren weggeslagen. "Heel mijn leven heb ik al weg moeten lopen', zei hij, "maar nu stop ik ermee: je loopt toch altijd de verkeerde kant op'.''