RACISME

"Natuurlijk zijn Kosto, Rottenberg, Brinkman en Bolkestein doodgewone racisten. Slavernij, kolonialisme, het vreemdelingenbeleid en de jacht op illegalen, ze komen toch uit hetzelfde witte mannenbewustzijn? Bovendien: het leidt de aandacht af. Witte vrouwen worden bang gemaakt voor zwarten waardoor ze niet meer zien dat hun eigen witte mannen het probleem vormen; werkloze jongeren krijgen te horen dat buitenlanders de baantjes en de huizen inpikken. Intussen houden die witte mannen stilletjes hun machtsposities in het witte systeem, nietwaar? Alles wat ze roepen komt trouwens in de media. Nu zeggen ze dat illegalen van die binken zijn met spieren, tatoeages, zonnebrillen en stiletto's. Geen hardwerkende vaders en moeders die worden uitgebuit door louche werkgevers, geen zielige oudjes die bij hun kinderen en kleinkinderen willen zijn. Daarom moeten legale en illegale zwarten zich bundelen, begrijp je, om tegen het racistische witte systeem te vechten.'

Van zo'n verhaal zou Phil Cohen geen spaan heel laten. Cohen is een Britse socioloog die al meer dan tien jaar geleden roem verwierf met een onderzoek naar de subculturen van blanke jongeren in de Engelse "oude wijken'. Hij kent deze werkloze rebellen, hij kent hun narigheden, hun twijfels, hun verlangens en hun obsessies. Hij verstaat hun stoere taal die, zoals men had kunnen verwachten, door en door racistisch is. Maar Cohen kwam tot de onthutsende ontdekking dat deze taal niet wezenlijk verschilt van de taal die veel anti-racisten bezigen. Hij schreef er een mooi essay over, "It's racism what dunnit', en hij verdedigde zijn mening deze week in Utrecht.

In bovenstaand verhaal worden historische, psychologische, darwinistische, marxistische en economische argumenten door elkaar gebruikt, zou Phil Cohen zeggen. Volgens de historische theorie is racisme inherent aan de Europese cultuur. Er is geen sprake van een algemeen "civilisatieproces', waarbij de wereld beschaafder wordt naarmate meer mensen in die beschaving worden opgenomen. Dat is het "assimilatie-ideaal' van (witte) intellectuelen. Voor zwarten geldt dat hun positie van kwaad tot erger wordt. Was de slavernij niet ook een produkt van de zogenoemde "Verlichting', vragen anti-racisten. Het Westen is nog altijd doortrokken van deze geheime ideologie van blanke superioriteit, en er is dus geen verschil tussen slavernij, kolonialisme en het huidige vreemdelingenbeleid of de hysterie rond de illegalen.

De zwakte van deze opvatting is, zegt Cohen, dat als racisme de rode draad vormt van de Westerse geschiedenis, het onveranderbaar is; een cultureel verschijnsel wordt genaturaliseerd, waardoor de discussie ophoudt - men zeurt toch ook niet over de blauwe ogen van blanken? Bovendien wordt een abstract gegeven (een idee van superioriteit) probleemloos vertaald in concrete woorden en daden van individuele personen. Het algemene wordt in letterlijke vorm in het bijzondere omgezet, wat een bekende sociologische zonde is.

Een merkwaardige variant op deze gedachtengang is die van het "institutioneel racisme': zoals liefde geïnstitutionaliseerd is in het huwelijk, zo is racisme geïnstitutionaliseerd in discriminatie, uitsluiting, minachting enzovoort. Als racisme behoort tot het vanzelfsprekende, gestandaardiseerde gedrag van Westerlingen, beseffen ze niet eens dat ze racistisch zijn en bedoelen ze er niets kwaads mee. Maar het gekke van vanzelfsprekende gedragingen is nu juist dat ze tamelijk goed veranderbaar zijn. Als het ongehuwd samenwonen ineens is gaan behoren tot het gestandaardiseerde gedrag van een groot aantal Westerlingen, waarom zou dan niet hetzelfde kunnen gebeuren met een anti-racistische houding? Waarom is dat ineens onveranderbaar?

De psycholische benadering van het anti-racisme laat juist wel mogelijkheden voor verandering open. Racisme is hier het gevolg van irrationele vooroordelen, en vooral van stereotypen die door de massamedia worden verspreid. Er is geen opzet in het spel, zeggen deze anti-racisten, maar als we van kinds af aan geleerd hebben vreemdelingen gevaarlijk te vinden, zullen we ze later ook niet met liefde bejegenen.

Deze benadering wordt vooral aangehangen door de zogeheten "deskundigen' die anti-racistische trainingen geven en schoolboeken en verhalen betrappen op verhulde vooroordelen. Politici, leraren, schrijvers en journalisten moeten "psychologisch gezuiverd' worden, en racisme is geen culturele norm, maar meer iets als een besmettelijke ziekte waar de anti-racisten een medicijn tegen hebben. Maar hoe zijn die vooroordelen in de eerste plaats bij die politici, leraren, schrijvers en journalisten terecht gekomen? En waarom zouden politici de moeizame therapie tegen vooroordelen ondergaan, als ze net zo goed degenen op wie die vooroordelen betrekking hebben, kunnen weren? Het argument is bekend genoeg: Nederland kan geen immigranten toelaten, "omdat we al een minderhedenprobleem hebben'.

De darwinistische en marxistische versies van het anti-racisme komen op hetzelfde neer, alleen is de ene gebaseerd op een idee van het dominante ras, en de ander op een idee van de dominante klasse. Volgens de darwinisten zijn alle mensen, wit of zwart, van nature racistisch aangelegd. Het is slechts een kwestie van een machtsstrijd, van een survival of the fittest, tussen witten en zwarten. Als alle zwarten hun krachten bundelen zullen ze op een goede dag de witten verslaan, beweren etnische zaakwaarnemers en vertegenwoordigers. De vraag waarom de witten dan zoveel makkelijker tot een "eenheid' komen, laten zij wijselijk onbeantwoord.

Marxisten beschouwen racisme als een instrument voor klasse-overheersing. De verdeel-en-heers-politiek wordt door politici en mediamensen bewust gevoerd, omdat zij de ideologische propagandamiddelen in handen hebben. Maar als racistische ideeën niet in het "objectieve belang' zijn van de overheerste klassen, waarom zijn ze daar juist zo populair? Of zijn die mensen in de "oude wijken' gewoon dom? En zou er op het raciale terrein echt sprake zijn van een wereldwijd komplot tussen de heersende klassen, terwijl die elkaar op alle andere fronten doodconcurreren?

Volgens de economische variant van het anti-racisme is racisme het gevolg van een welbegrepen eigenbelang. Werkgevers gebruiken immigranten als goedkope arbeidskrachten, huisjesmelkers raken hun onbewoonbare krotten kwijt aan illegalen, politie-agenten die snel promotie willen maken letten extra goed op die criminele buitenlanders en verrichten veel arrestaties.

Hier, zegt Phil Cohen, gebeurt het omgekeerde als bij de historische benadering: het bijzondere wordt probleemloos naar het algemene overgeheveld, de aard van het systeem wordt uitgelegd als het directe gevolg van de daden van concrete individuen. En zijn werkgevers inderdaad uit op een koelbloedige winstmaximalisatie, hebben ze geen andere motieven, zoals groei, continuïteit, arbeidsrust? En als racisme zo rationeel en functioneel is voor werkgevers, hoe komt het terecht bij werknemers en werklozen?

Kortom, zegt Phil Cohen: anti-racisten weten precies waar ze tegen zijn, maar nauwelijks waar ze vóór zijn. Uit oprechte morele verontwaardiging hebben ze verklaringen verzonnen die volstrekt voorbijgaan aan de dagelijkse realiteit waarin racisme zich voordoet.

En nu? Niks. Er is geen verklaring. Maar zo ver wilde Phil Cohen in Utrecht niet gaan. Zijn alternatief is dat we dieper moeten nadenken over Freuds opvatting van "het narcisme van het kleine verschil' als verklaring voor etnische en raciale wrijvingen. We moeten de raciale fantasieën proberen te begrijpen, de lichamelijkheid van het superioriteitsidee doorzien en beseffen dat haat en afgunst vaak samengaan (de racistische blanke jongeren bij wie hij zijn onderzoek deed waren bijvoorbeeld gek op reggae-muziek!). Maar ik ben bang dat we daarmee alleen een zoveelste theorie zullen verzinnen die achteraf geen hout blijkt te snijden. Zo ging het toch ook met het feminisme? Zolang ze probeerden aan te tonen dat er sprake is van zoiets als seksisme, was er niets aan de hand. Maar het moment waarop ze het seksisme probeerden te verklaren, gingen ze de mist in. Ook feministische wetenschappers kwamen tenslotte met diepzinnige psycho-analytische verhalen, waar steeds minder mensen iets van snappen.

Maar, vraag ik me af, waarom is morele verontwaardiging niet voldoende? Misschien zijn er helemaal geen theoretische gronden om de woeste taal van lieden als Kosto, Rottenberg, Brinkman en Bolkestein af te wijzen. Misschien zijn ethische gronden genoeg. We hoeven dan geen beroep te doen op wetenschappelijke verhandelingen waarin witte mannen door de eeuwen heen raciale ideeën hebben gehad, of waarin ze per ongeluk, door slechte schoolboekjes, vooroordelen hebben gekregen, of waaruit blijkt dat ze opzettelijk, om economische of politieke, maar in ieder geval om rationele redenen zulke uitspraken doen. Racisme is dan net zoiets als onbeleefdheid - erger, weet ik, maar theoretisch niet interessanter.

Racisme, xenofobie of etnische superioriteit hoeven we niet te verklaren met behulp van ingewikkelde "conceptuele raamwerken' of "methodologische denkschema's'. We kunnen ze zien als kwesties van zindelijkheid. Dat volstaat.