MEISJES-HBS

Een tien voor vlijt. Meisjesonderwijs vanaf de oudheid tot de MMS redactie Karen den Dekker e.a. 184 blz., geïll., Walburg Pers 1992 (Een Tipje van de Sluier, deel 7), f 24,90 ISBN 90 6011 822 7

De laatste meisjesschool in Nederland staat in Den Haag. Het is een MAVO en er zitten veel meisjes op die volgens hun Cito-toets die school maar net aankunnen. Toch doen zij het in het algemeen vrij goed op de Johanna Westermanschool. Hun cijfers zijn redelijk hoog en veel meisjes kiezen een exact vakkenpakket. De meesten leren na hun eindexamen door.

Na de invoering van de Mammoetwet was het met meisjesonderwijs in Nederland snel gedaan. Van de honderdvijf zelfstandige meisjesscholen en MMS-afdelingen waren er in 1968 nog veertien over. Bijna niemand was er rouwig om. MMS en meisjes-HBS pasten niet in een tijd waarin feminisme hoogtij vierde. Zelfs aan het meisjeslyceum Serviam in Sittard vond een lerares dat de MMS meisjes opleidde ""zo, dat ze alle beroerde baantjes met een mooi jurkje aan konden vervullen'.

Het citaat komt uit Een tien voor vlijt. Meisjesonderwijs vanaf de oudheid tot de MMS. Het boek, deel zeven in de serie "Tipje van de sluier' van de Vereniging voor Vrouwengeschiedenis, past in de discussie die de laatste jaren wordt gevoerd over de teloorgang van de meisjesscholen. Belangrijkste vraag hierbij is of de emancipatie van de vrouw met dit verlies is gediend.

Steeds vaker wijst onderzoek uit dat meisjes die met jongens in één klas zitten, meer geïnteresseerd zijn in de waardering van die jongens dan in het halen van hoge cijfers. Dit gebrek aan intellectuele prestatiedrang wordt nog versterkt doordat leraren in de exacte vakken zich vooral op jongens richten. Ook speelt een rol dat meisjes nu minder vrouwelijke voorbeelden hebben dan vroeger: op de meisjesscholen werkten bijna alleen leraressen. Regelmatig worden tegenwoordig symposia aan het verdwenen meisjesonderwijs gewijd; naast de nadelen komen daarbij ook de voordelen ter sprake. In Haarlem experimenteert het Coornhert Lyceum zelfs met aparte meisjesklassen voor de exacte vakken.

Een tien voor vlijt bevat elf artikelen. Het meisjesonderwijs wordt er chronologisch in behandeld, zij het met zevenmijlslaarzen. Na het oude Griekenland en de middeleeuwen komen onder meer de Franse meisjesscholen voor meisjes van goede stand aan bod, het handwerkonderwijs in de negentiende eeuw, het agrarische onderwijs en de "lampjescursus' van Philips. Ook is een artikel opgenomen over de situatie in Nederlands-Indië.

Duidelijk is dat het lesrooster op de meisjesscholen altijd is bepaald door de maatschappelijke rol die vrouwen was toebedacht. In de negentiende eeuw zorgde de Maatschappij tot Nut van "t Algemeen ervoor dat er brei- en naaischolen kwamen, ""wat vrouwen en moeders in lateren leeftijd zoo zeer te stade komt'. Het zedelijk verval van de lagere stand was de burgerij een doorn in het oog, reden waarom men meisjes op deze scholen geduld, spaarzaamheid, netheid, huiselijkheid en gehoorzaamheid probeerde bij te brengen. In het Nederlands-Indië van diezelfde tijd vestigde de katholieke vereniging Melania negentien meisjesscholen. Naast de "nuttige handwerken' werd daar wassen, schoonmaken, koken en kinderverzorging gedoceerd. Doel was inlanders te voorzien van goed-katholieke huisvrouwen.

Op de Franse meisjesscholen voor de hogere standen werd weliswaar enige algemene vorming gegeven, maar "savante' mochten de meisjes ook hier niet worden. De beroepen waarvoor de Franse scholen later toch opleidden, waren nadrukkelijk "vrouwelijk'. Voor de MMS werd dit "dubbele doel' zelfs de leidraad, in 1925 als volgt door een oud-leerlinge geformuleerd: ""Moge onze school voortgaan met de opleiding van jonge meisjes tot vrouwen, die hare maatschappelijke positie met eere bekleeden, maar laat haar evenzeer een breede ontwikkeling geven aan haar, die als toekomst-illusie hebben, te worden: Net als Ma'.

Niet alle auteurs ontkomen aan de verleiding om moraliserend te zijn. In het artikel over de meisjesscholen in Nederlands-Indië bijvoorbeeld, stelt de schrijfster dat we bij alle goede kanten van dit onderwijs ""niet uit het oog mogen verliezen' dat het ""als traditioneel te bestempelen is'. In het hoofdstuk over het agrarische onderwijs wordt een nogal hinderlijk onderscheid gemaakt tussen de "vrouwelijke identiteit' van boerinnen en hun "plattelandsidentiteit'.

Hoewel Een tien voor vlijt geen oordeel over de wenselijkheid van meisjesonderwijs velt - de artikelen zijn daarvoor te beschrijvend van opzet - valt uit het boek eigenlijk maar één conclusie te trekken. Meisjesonderwijs past in tijden waarin de maatschappelijke rol van vrouwen beduidend verschilt van die van mannen. Illustratief in dit opzicht is het artikel over het oude Griekenland. Wanneer in de Hellenistische periode de polis-structuur in ontbinding raakt en vrouwen meer vrijheid krijgen, kunnen meisjes steeds vaker hetzelfde onderwijs volgen als jongens.