MATZES TUSSEN DE SAUERKRAUT

The Jews of Germany. A Historical Portrait door Ruth Gay met een inleiding van Peter Gay 298 blz., geïll., Yale University Press 1992, f 68,25 ISBN 0 300 05155 1

The Jews of Germany behoort tot het genre van de rijk geïllustreerde overzichtswerken, verhalend van karakter, die een algemeen beeld proberen te geven van de interne ontwikkeling binnen een geloofsgemeenschap. De auteur, Ruth Gay, die eerder Jews in America publiceerde en getrouwd is met de bekende psycho-historicus Peter Gay, wil de ""leek van nu'' ervan overtuigen dat de geschiedenis van de Joodse minderheid in Duitsland er niet alleen een is geweest van uitsluiting en onderdrukking. Zij kan ook en met evenveel recht beschreven worden in minder dramatische termen als acculturatie en zelfs integratie in de Duitse samenleving. Dat perspectief maakt van dit boek, zo schrijft Peter Gay in zijn inleiding ""een reportage over het robuuste alledaagse leven''.

Dat alledaagse leven had vele kanten. Pittoresk voor wie niet verplicht was er te wonen was het kwalijk riekende, overvolle getto van Frankfurt zeker. Het werd pas in de jaren zestig van de negentiende eeuw afgebroken, hoewel het al ten tijde van de Verlichting in brede kringen afschuw had gewekt. Een Engelse achttiende-eeuwse toerist, geschrokken van de lijkbleke gelaten die hem aanstaarden, noemde het getto ""a place of the living dead''. Ruth Gay is uiteraard op de hoogte van deze beschrijvingen, maar noemt het getto ook ""a place where Jews were entirely, supremely at home''.

Al de ogenschijnlijk mensonterende bepalingen en beperkingen die de joodse gemeenschap vrijwel hermetisch afsloten van de christelijke medeburgers hebben een bloeiend intellectueel leven binnen de gettomuren in ieder geval niet kunnen verhinderen. Het stadsbestuur van Frankfurt, dat met grote tegenzin slechts minimale concessies placht te doen en eerst in 1769 de joden een wande-lingetje buiten de muren toestond wanneer de christenen zondagnamiddag hun kerkgezang beëindigd hadden, heeft op deze wijze de samenhang binnen de gemeenschap sterk bevorderd. Zelfs het verbod drukpersen te bezitten, heeft het intellectuele leven niet noemenswaardig geschaad: christelijke drukkers boden gretig hun diensten aan.

"SPONTANE VOLKSWOEDE'

Berlijn was ongetwijfeld een gastvrijer oord voor minderheden als hugenoten en joden, ook al waren de motieven van de Hohenzollern uitsluitend van economische aard en was er bijvoorbeeld van vrije vestiging geen sprake. De door de overheid ingestelde "Schutzgelder' waarover regelmatig moest worden "onderhandeld', waren in feite zware eenzijdig opgelegde heffingen die tot doel hadden het aantal joodse ingezetenen te beperken en elk van hen in te prenten dat de bescherming van de overheid tegen de ""spontane volkswoede'' geen recht was maar een gunst die niet per se eeuwigdurend was.

Toch heeft juist de betrekkelijke vrijheid waarin de joodse gemeenschap in Berlijn zich, in tegenstelling tot die in Frankfurt, heeft kunnen ontwikkelen de cohesie verzwakt. Hier ontstond al aan het einde van de achttiende eeuw een conflict tussen de orthodoxe meerderheid en een minderheid die in elke gettovorming een middeleeuws relict zag en in de eerste plaats Duits staatsburger "Jüdischen Glaubens' wilde zijn. Zo publiceerde in 1799 een vooraanstaand lid van de joodse gemeenschap, David Friedländer, zijn Sendschreiben aan de Lutherse geestelijkheid. De godsdienst van het oude volk, aldus Friedländer, was in de loop van vele eeuwen zo verstard door zinledig ritueel dat het zicht op de fundamentele overeenstemming tussen jodendom en christendom lange tijd vertroebeld is geraakt. Eerst nu als gevolg van de Aufklärung beider kern weer zichtbaar is geworden zou ook het jodendom die aparte status moeten opgeven en als "filiaal' binnen de Lutherse staatskerk ook de joden moeten laten genieten van de zegeningen van het moderne staatsburgerschap.

Noch de Lutherse geestelijkheid noch Friedländers geloofsgenoten waren bereid zo'n verstrekkend voorstel serieus in overweging te nemen. Kenmerkend voor de overgangsperiode die de Franse Revolutie voor de joodse gemeenschap in Duitsland heeft gevormd, is een dergelijk Sendschreiben echter in hoge mate. Friedländers "zelfkritiek' werd door menigeen in minder of meerdere mate gedeeld. Dat gold speciaal voor vele joodse vrouwen, die tot dan toe binnen hun gemeenschap in een staat van volstrekte onmondigheid verkeerden. Zij zagen in de Franse Revolutie een bevrijding uit een sfeer van doodse patriarchale regelgeving en zegden door huwelijk en bekering tot het Christendom het oude geloof vaarwel.

STRAKKER EN GRIMMIGER

Die "Taufwelle', zo kenmerkend voor de euforische sfeer aan het einde van de achttiende eeuw, is overigens van betrekkelijk korte duur geweest. Ondanks de "optimistische' toonzetting blijkt uit The Jews in Germany zonneklaar dat de maatschappelijke en politieke sfeer in Duitsland na de val van Napoleon strakker en grimmiger werd. In de loop van de negentiende eeuw veranderde het antisemitisch stereotype weliswaar maar boette bepaald niet aan kracht in. Voordien werd de jood bespot om zijn verkleefdheid aan "oude gewoontes', in de negentiende eeuw werd hij gehaat en gevreesd om zijn vermogen zich te transformeren tot wolf in Duitse schaapskleren. Hij profiteerde als geen ander van het economisch moderniseringsproces door de eerlijke Duitse ambachtsman tot de bedel-staf te brengen, zoals dat heette.

Talrijke fragmenten uit kranten, schotschriften, biografieën en autobiografieën vervullen in Gays relaas de functie van een "running commentary'. In 1819 was een van de grootste kassuccessen op theatergebied het toneelstuk Unser Verkehr waarin twee oudjes in een komisch bedoeld jiddisch koeterwaals hun zoon die zich heeft herschapen tot een ""frischgebackener deutscher Elegant'' de raad geven zich koste wat kost - al slaat men je half dood!! - te verrijken ten koste van de Duitse ingezetenen.

Uiteraard hebben vele lieden van verlicht liberale signatuur, joods of niet joods, zich gestoord aan dergelijke uitingen van grof populisme. In de eeuw van "De Vooruitgang' was het ondenkbaar dat de oude barrières zouden blijven voortbestaan. In 1871, het "echte' Jubeljaar van de Duitse eenheid, werden de laatste discriminerende bepalingen geschrapt en kon de joodse minderheid volledig van de zegeningen van het moderne staatsburgerschap genieten. Toch is het veelzeggend dat er de facto wel degelijk beperkingen bleven gesteld aan de ontplooiingsdrang van een minderheid die in de decennia daarvoor vrijwel niets had nagelaten zich die eer waardig te betonen. Functies als rechter of officier in het leger of bij de rechterlijke macht die de Majesteit van het Staatsgezag belichaamden bleven voor "buitenstaanders' vrijwel gesloten.

En dat terwijl de "Deutscher Staatsbürger Jüdischen Glaubens' zo zijn best deed: menigmaal noemde hij zijn kinderen Siegfried of Hilde, liet hen de drama's van Goethe en Gerhard Hauptmann uit het hoofd leren en rustte niet voordat ten minste één van zijn dochters de sonates van Beethoven feilloos ten gehore kon brengen. Dit acculturatieproces stuitte bij de oude elite echter zeer vaak op "cold contempt', in Gays woorden. Gerson von Bleichröder (1822-1893), de befaamde bankier zonder wiens financiële steun Bismarck zo machteloos zou zijn geweest als een liberale afgevaardigde in de Duitse Rijksdag, wordt bijvoorbeeld door de ijzeren kanselier in diens lijvige gedenkschriften vrijwel doodgezwegen. Toch ontmoetten de heren gedurende decennia elkaar vrijwel wekelijks.

JOODSE SOLDATEN

In 1914, op het hoogtepunt van het "Hurrahpatriotismus', beweerde de keizer geen partijen meer te kennen, slechts Duitsers, maar twee jaar later gelastte het ministerie van Oorlog een zogenaamde Judenzählung in het leger teneinde zich ervan te vergewissen dat ook de joodse soldaten "naar behoren' sneuvelden voor het vaderland. De joodse gemeenschap, verbijsterd over het weerzinwekkend karakter van deze Zählung, overwoog eerst een publiek protest, maar beperkte zich bij nader inzien tot een schriftelijke reactie. Het ministerie van Oorlog deelde mede dat het ongepast was voor de burgers de uitkomsten van het onderzoek te willen kennen.

Zo verschaft Gay zelf in haar overigens voortreffelijke en deskundige relaas de lezer de gegevens die hem er toe zouden kunnen brengen de toonzetting van haar boek wat te relativeren. Dat geldt zeker inzake de "cold contempt' die ook het optreden van de aristocratische studentencorpora kenmerkte. Uitgesloten van die Teutoonse wereld stelden joodse studenten alles in het werk in hun eigen verenigingen een miniatuur Germania te creëren met sjerpen, vaandels, vlaggen en betreste uniformen. Ook de leden van de Bund Jüdischer Korporationen die zich in 1907 fotografisch lieten portretteren in plechtig heroïsche pose hebben ongetwijfeld het hoofd vol van smaad, eer en genoegdoening. Dikwijls echter kruisten zij de degens onder elkaar omdat de vertegenwoordigers van het grote Germania lang niet altijd bereid waren met een "Saujud, Judenbengel of Lausbub' de strijd aan te binden hoe graag de laatste hiertoe ook bereid zou zijn geweest. Groepsfoto's als deze zijn wel de allertreurigste in dit mooie boek.