Kosmische kracht in bolhoeden en feestneuzen

Tentoonstelling Wout van Heusden, schilder-graficus 1896-1982. T/m 10 jan. In Museum Boymans-van Beuningen, Rotterdam (werk tot 1945). Open di-za 10-17u, zo 11-17u. T/m 6 dec. ß8In Stedelijk Museum Schiedam (werk na 1945). Open di-za 10-17u, zo 12u30-17u. Bij de Stichting Kunstpublicaties Rotterdam is een monografie van Flora Stiemer verschenen over Wout van Heusden. Prijs ƒ 49,50

In de jaren vijftig en zestig was Wout van Heusden zeker in Rotterdam een bekende graficus. Waren zijn etsen regelmatig te zien op exposities, de kunstenaar zelf vertoonde zich steeds minder in het openbaar. Hij leidde een teruggetrokken bestaan in het Rotterdamse Tuindorp Vreewijk, waar hij sinds 1927 samen met zijn moeder en zuster een kunstnijverheidswinkeltje dreef.

Van Heusden, in 1896 geboren in een Rotterdams arbeidersgezin, behoorde tot een generatie kunstenaars die in de jaren twintig vanuit een socialistische overtuiging realistische prenten maakten van boeren, oorlogsinvaliden, alcoholisten, dominees. Gedreven door dezelfde motieven kozen zij na de oorlog voor abstracte kunst. 'De abstractie werd voor hen het nieuwe symbool van een anti-burgerlijke, vrije kunst, die een nieuwe universele beeldtaal mogelijk zou maken', schrijft Flora Stiemer in haar boek over Van Heusden. Ter gelegenheid van het verschijnen van deze monografie organiseerden Museum Boymans-van Beuningen en het Stedelijk Museum Schiedam gezamenlijk een overzichtstentoonstelling.

De abstracte etsen en de schilderijen die Van Heusden tussen 1962 en 1973 maakte, ademen de sfeer van de na-oorlogse jaren. Een tijd waarin het publiek bepaald nog niet gewend was aan non-figuratieve kunst, zoals te zien is op een foto in het boek over Van Heusden. Op deze foto uit 1950 staat een groepje nogal nors kijkende notabelen voor een abstract beeld van Piet van Stuivenberg dat zojuist bij het Bouwcentrum is onthuld. Met Van Stuivenberg en andere kunstenaars en geïnteresseerden richtte Van Heusden in 1950 de Vereniging voor Irrealisme en Abstractie in de Kunst op. "Om van binnenuit een wereld te scheppen, waarin het ideële factor één is', schreef Van Heusden bij het eenjarig bestaan van VIA. Het was noodzakelijk "een cosmisch gerichte ethiek' te ontwikkelen.

Het kosmische wordt in de prenten vooral verbeeld door de cirkels die contrasteren met onregelmatig gevormde vlakken in verschillende schakeringen van lichtgrijs tot zwart. Een symboliek die nu wat gedateerd aandoet. Het lijkt of Van Heusden in de schilderijen een zelfde effect wilde bereiken als in de etsen met toontechnieken als aquatint en vernis-mou. Zijn werkwijze vertoont overeenkomsten met de grattage techniek van de surrealist Max Ernst voor wie hij bewondering koesterde. Door het telkens afkrabben (gratter) van de bovenste verflaag krijgt het schilderij een gelaagde, ruige textuur. Slechts op enkele plaatsen wordt deze structuur doorbroken door strak geschilderde vormen, "gaten', die uitzicht bieden op een ander, onbereikbaar (?) universum. Donkere kleuren overwegen in deze nogal sombere doeken met titels als Het heengaan van Socrates, Zwarte eeuw, Nacht boven het ravijn, Dovende zon, Paradise Lost.

Het surrealisme had Van Heusden al voor de Tweede Wereldoorlog in zijn greep, zoals blijkt uit een reeks stillevens in Museum Boymans waarop maskers, feestneuzen, bolhoeden, handschoenen en andere bij surrealisten geliefde attributen zijn afgebeeld. Van Heusden voegde daar zelf een verweerd paardje voor een reclame van White Horse whisky aan toe, dat hij gevonden had bij de uitspanning Het Wapen van Rhoon.

Tussen 1932 en 1942 schilderde van Heusden negen van dit soort werken, schrijft Stiemer in haar boek. Het was een bescheiden, maar interessante bijdrage aan het surrealisme dat in Nederland niet veel navolging vond - alleen in Utrecht was er een groepje kunstenaars, onder wie Johannes Moesman, dat in deze trant werkte. Veertien andere doeken uit deze periode met minutieus nageschilderde grassen zijn meer magisch-realistisch dan surrealistisch te noemen.

Van Heusden begon zoals veel arbeiderskinderen met artistieke ambities op jeugdige leeftijd als huisschilder. In 1920 volgde hij op de Rotterdamse kunstacademie lessen in de grafiekklas. In de loop van zijn lange carrière keerde Van Heusden telkens terug naar zijn oorspronkelijke liefde, de schilderkunst. Ondanks deze hartstocht blijven de schilderijen stijver en minder toegankelijk dan de grafiek die, zelfs bij sombere thema's, lichtvoetiger en gevarieerder is. In deze techniek weet hij op speelse wijze toevallig ontstane vlekken en spatten zo te integreren, dat een bestaand beeld, bijvoorbeeld een plattegrond van een Franse tuin, verandert in een Kop met gasmasker (1948).

Mijn nieuwsgierigheid naar het leven van de zonderlinge kunstenaarmiddenstander Van Heusden is door het boek van Flora Stiemer, kunstcriticus bij het Algemeen Dagblad, zeker bevredigd. De kunsthistorische informatie is soms te weinig gedetailleerd, maar dat is ook niet de opzet van deze reeks publicaties waarin het accent ligt op de cultuurhistorische, Rotterdamse, context. Helaas ontsieren slordigheden in de tekst (zetfouten, verkeerd gespelde namen) dit mooi geïllustreerde boek.