Iedereen doctorandus (5)

Ministers van diverse grote departementen hebben deze week uitgelegd welke veer zij weer moeten laten. Pronk deed het met een traan, Ter Beek was toch al doende van Defensie een uitzendbureau-in-uniform te maken en Ritzen kwam Kok tegemoet met de offervaardigheid die hem (misschien niet helemaal terecht) in universitaire kring de naam van De Beste Bezuiniger van de Klas heeft bezorgd.

Aan alles valt te sleutelen, en de tegenvallende economie is niemands schuld. Ritzen zoekt het bij voorkeur in het prijsmechanisme dat de onderwijsconsument moet opvoeden. Maar het blijft bezuiniging op bezuiniging. Over de inhoud en de kwaliteit gaat het zelden. Beleid inzake hoger onderwijs en onderzoek is financieel beleid. Dat is voorspelbaar zolang de dingen niet bij de naam worden genoemd.

In eerdere stukjes onder deze titel heb ik getracht te beschrijven tot wat voor rariteiten werkgevers en werknemers in de wetenschappelijke wereld zijn vervallen. In de meeste gevallen is dat geen gevolg van persoonlijke zwakte of onbekwaamheid, maar een begrijpelijke of zelfs logische uitkomst van het feit dat dit land de instellingen van Hoger Weten al jaren een kakafonie van verheven opdrachten, dringende verzoeken en platte bezuinigingen oplegt. Die konden nooit allemaal tegelijk worden gerealiseerd.

De gevolgen zijn overal te zien. Maar in beleidskringen doet iedereen alsof dat vat vol tegenstrijdigheden nooit vol raakt. Wie het als topambtenaar in Zoetermeer wat langer wil volhouden moet excelleren in de kunst van het verhullend taalgebruik. En volhouden dat we op koers liggen. Dat is niet alleen hun schuld, of die van de minister. Het Nederlandse volk, in de Tweede Kamer bijeen, wil dat zo.

Alsof je eindeloos door kunt gaan met beknibbelen op de begroting èn iedereen toelaten als student (op een paar vakken na) èn de studieduur bekorten èn volhouden dat al die uit hun voegen gebarsten universiteiten even goed zijn èn zich kunnen blijven meten met de beste instellingen in het buitenland èn doen alsof de kwaliteit van de afgeleverde doctorandussen op constant hoog niveau blijft.

En dan ook nog de studieduur van HBO en WO gelijk trekken, het HBO wel toestaan bij de ingang te selecteren, HBO'ers promotierecht (aan een universiteit) geven en de discussie voeren of gelijkschakeling van HBO en universiteit niet wenselijk/nodig/onvermijdelijk is. En dàn de verbaasde omstanders proberen uit te leggen dat onze academisch afgestudeerden van onverminderd internationaal concurrerend niveau zijn. Aan me zole.

Om het uitdeiend kermisterrein van hoger onderwijs en onderzoek de schijn van beheersbaarheid te geven is de laatste twee decennia een fijnmazig boekhoudprogramma aan de instellingen opgelegd. Dat heeft geleid tot een proliferatie van bureaucraten en betweters die aan de financiële knoppen en kranen zitten. Het dwingt iedere gedachtenwisseling over onderwijs en onderzoek door de hoepel van cijfermatige simplificatie. Wie zijn rendement niet haalt, moet de werkelijkheid aan de bureaucratische behoeften aanpassen, of de prijs betalen.

Eén voorbeeld van waar dit toe leidt, staat in het architectuurblad Archis (7-92). Otokar Mácel beschrijft daarin hoe de geschiedenis van de bouwkunde uit de eerste jaren van de architectuurstudie in Delft is wegvergaderd. Eerst werd het vak een cijfer, daarna kromp het cijfer, en ten slotte werd het door een administrateur anders "ingevuld'.

“Soms, als ik mensen hoor praten, of stukken lees, krijg ik reminiscenties aan mijn voormalig vaderland Tsjechoslowakije, maar dan van vóór 1968. Vooruit kameraden, op naar de uitdagende taken van het vijfjarenplan!”, verzucht Mácel. Zijn troost: “De tegenwoordige inhoudsloze en ideeënloze beleidscultuur, die een marmeladefabriek en een faculteit tot "organisatie' en het jampotje en de bouwkundig ingenieur tot een "produkt' reduceert, zal nooit het eeuwige leven hebben”.

Allemaal moeten doen alsof dit heel gewoon is en functioneert, dàt is de hypocrisie die maakt dat het in het hoger beroeps onderwijs en de universiteiten soms zo raar toegaat. Dat maakt het gemak soms zo onverdraaglijk waarmee in de landelijke politiek het hoger onderwijs wordt behandeld door de zogenaamde specialisten. Die voelen zich in veel gevallen ook nog gedwongen een vermeende volkswil te vertegenwoordigen die zou vinden dat hoger onderwijs weliswaar "voor velen' moet zijn, maar toch elitair is en blijft, zeker geen algemeen belang is voor de toekomst van dit volk - en dus eindeloos financieel en geestelijk geknepen mag worden.

Bij de opening van het academisch jaar in september hebben diverse universitaire bestuurders, duidelijker dan voorheen, de huidige verwildering onder woorden gebracht. Hun probleem daarbij was dat zij enerzijds wervend wilden optreden en zich anderzijds geroepen voelden aan te geven dat zij er ook niets aan kunnen doen dat het zo'n raar allegaartje van top-onderzoek, tweede kans onderwijs en door managament-jargon overspoeld onderwijs-op-bestelling is geworden.

Anders dan uit hun toespraken hoort men zelden van de universiteiten. Als het intern rommelt, dan uit zich dat vaak op lager niveau. Binnen instituten krijgen mensen te maken met de gevolgen van beslissingen van bovenaf. Meestal gaan zij dan elkaar te lijf omdat het hogere niveau onzichtbaar of onbereikbaar is. Daarom is veel leed dat de laatste decennia van taakverdeling, concentratie, zwaartepuntvorming en docent-belastingsuren is aangericht, nooit samengebald zichtbaar geworden. Het is hooguit terug te vinden in bezoeken aan de bedrijfsarts en een overzicht van wachtgelden.

Veel bezuinigingen zijn nep-bezuinigingen geweest. Niet uniek voor het onderwijs, maar toch. Wachtgelden zijn er een voorbeeld van. De verkoop van schoolgebouwen aan het HBO, waar minister Ritzen en de HBO-Raad het deze week over eens werden is het meest recente. De dominantie van al die over elkaar heen vallende bezuinigingen maakt één ding duidelijk: het kan zo niet door gaan.

De ballon van tegenstrijdige bedoelingen zal leeglopen of barsten. Als dat toch zo is, kan het beter beheerst gebeuren. Er is zo veel talent in dit volk, dat niet alleen hongerig is naar makkelijke beurzen en OV-kaarten, maar ook naar kennis en exploratie van het nu nog onbekende, dat het mogelijk moet zijn na de ontploffing met de vrijkomende energie iets beters te bouwen.