Het liefdesdelict komt van laag tot hoog voor

De afgelopen vijf weken kwamen op deze plaats mensen aan het woord die hun partner doodden of daartoe een poging deden. Vandaag, tot slot, de achtergronden, de cijfers en de strafmaat belicht.

Ruim tweederde van alle geweldsdelicten met een dodelijke afloop heeft plaats tussen familie en kennissen, thuis achter gesloten gordijnen. In twintig procent van de gevallen met een dodelijke afloop is er sprake van wat in de vakliteratuur "een liefdesdelict' wordt genoemd. De belofte till death do us part is hier wat al te letterlijk opgevat.

Ooit schreef Elsschot in zijn gedicht Het huwelijk de regel: “Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand”. Menig echtgenoot en echtgenote zal in een opwelling iets dergelijks hebben gedacht, maar zoals Elsschot ook schreef: “Tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren”. Toch worden in Nederland de praktische bezwaren regelmatig terzijde geschoven.

Wat bezielt de mannen en vrouwen die ertoe kwamen hun partner uit de weg te ruimen?

Psychiater dr. Ardaan de Boer is van mening dat gebrek aan afstand de belangrijkste oorzaak van partnerdoding is. “In een ver verleden”, filosofeert hij, “stond ik eens aan de afwas. Voorzichtig tikte ik met mijn vingertop tegen een kristallen glas en hield het glas bij mijn oor. Een verrukkelijk geluid, dat gepingel van kristal, dus ik bracht het glas nog dichter naar mijn oor. Toen het glas mijn oor aanraakte, doofde het gepingel uit. Zo gaat dat ook met mensen. Het is mogelijk een medemens zodanig te omhelzen dat het niet meer met het leven verenigbaar is. Dat heet wurgen.”

De Boer werkte jarenlang op het Pieter Baan Centrum in Utrecht, een kliniek waar mensen terecht komen die worden verdacht van een ernstig geweldsmisdrijf. Het Centrum adviseert de rechterlijke macht bij vragen als: is de verdachte ernstig gestoord of niet, was hij of zij toerekeningsvatbaar, en wat is de passende sanctie? Na een observatieperiode van zes weken wordt er rapport uitgebracht. Of de rechter naar dit advies luistert, is een tweede. De Boer: “Ik herinner me een rechter die, toen hij het rapport had gelezen over een man die zijn vrouw had omgebracht, uitriep: Wat moet ik hiermee? Wat ik hier lees, is ook van toepassing op de helft van mijn eigen familie!”

Twee jaar geleden publiceerde De Boer het proefschrift Partnerdoders (Gouda Quint), een studie over 104 mannen en 20 vrouwen die tussen 1950 en 1980 hun partner hebben gedood en die ter observatie in het Pieter Baan Centrum zaten. De Boer: “Opmerkelijk is dat de motivatie van de daders over de jaren onveranderd is gebleven. Deze groep doodt doorgaans niet uit winstbejag, maar in een emotionele opwelling, uit onmacht of passie. De man doodt zijn vrouw wanneer zij hem wil verlaten of als hij opeens wordt geconfronteerd met een al dan niet denkbeeldige rivaal. Met andere woorden: als zijn bezit de benen neemt, krijgt hij de bekende rode waas voor ogen en slaat toe. Vrouwen doden hun man eerder uit zelfverdediging, omdat ze na vele jaren van mishandeling juist weg willen en niet meer weg kunnen. In dit geweldsmisdrijf tekenen zich duidelijk de traditionele machtsverhoudingen af”.

Soms lijkt het erop dat de crime passionnel iets typisch mannelijks is, maar ook vrouwen kunnen zo jaloers worden dat zij alles in het werk stellen om verlating te voorkomen. Wat gif, dan loopt hij niet meer zo gemakkelijk weg. Zij maakt haar man "een beetje dood', dan kan zij tenminste voor hem zorgen.

De Boer: “Meer dan de helft van de vrouwen uit mijn onderzoeksgroep had een vriend die uiteindelijk het zware werk opknapte. Bij de mannen zie je meer de klassieke driehoek: de heer des huizes krijgt een affaire met de dienstbode of het kindermeisje, en getweeën ruimen zij de echtgenote op. Mannen die hun vrouw of rivaal doden, zijn over het algemeen vaker met justitie in aanraking geweest dan de gemiddelde Nederlander. De meeste vrouwelijke daders daarentegen hebben een blanco strafblad. De Boer volgde de daders ook nadat zij hun straf hadden uitgezeten. “De meesten zijn al twaalf jaar of langer vrij, maar”, zegt De Boer, “geen van hen heeft opnieuw een partner gedood - tot nu toe.”

In de loop der jaren is het aantal partnerdodingen aanzienlijk toegenomen. Veertig jaar geleden werden er per jaar gemiddeld vier à vijf partnermoorden gepleegd. Tegenwoordig ligt dit aantal tussen de dertig en veertig. De Boer: “Ondanks het feit dat het tegenwoordig gemakkelijker is om te scheiden, loopt het aantal partnerdodingen niet terug. Afgezien van de officiële cijfers zijn er bovendien nog de "dark numbers'. Hierbij gaat het om daders die hun partner als vermist opgeven, terwijl ze hem of haar in de vuilnisbak deponeerden. Ook gaat achter een aantal zelfmoorden een partner schuil, die zijn wederhelft over de kling heeft gejaagd. Indirecte manieren van partnerdoding die absoluut oncontroleerbaar zijn”.

Naar schatting belandde eenderde van alle partnerdoders in het Pieter Baan Centrum. Harde cijfers over de groep in zijn geheel ontbreken.

Volgens De Boer is het doden van de partner een afspiegeling van de wijze waarop veel mannen en vrouwen met elkaar omgaan. Vernederen, kleineren en elkaar een hak zetten is schering en inslag. Meestal is er sprake van een amour captatif, een verstikkende relatie met een buitensporige afhankelijkheid. Dat is ook meteen de reden dat dit misdrijf niet aan een bepaalde klasse is gebonden; het komt van laag tot hoog voor.

Heeft De Boer zelf wel eens gedacht: dat had mij kunnen overkomen?

“Een collega schreef ooit een boek met de titel Ben ik zo anders? Mijn antwoord daarop is ja, ik ben een adept van Elsschot. Ik zet iets tegenover die opkomende driften: relativeringsvermogen én het behoud van de juiste afstand.”

Vrouwen nemen in Nederland slechts vijf procent van de zware geweldsmisdrijven voor hun rekening. Hun aandeel in partnerdoding is echter opvallend hoog, namelijk zeventien procent. Als vrouwen doden, dan doden zij kennelijk hun eigen man. Dat vrouwen emotioneler en impulsiever zijn dan mannen, gaat niet op voor partnerdoders. Door de bank genomen bereiden vrouwen - wegens de vaak gewelddadige situatie waarin zij verkeren - hun daad beter voor, wat tot gevolg heeft dat hun vaker moord ten laste wordt gelegd. Gemiddeld krijgen vrouwelijke partnerdoders hierdoor zwaardere straffen dan de mannen.

De afgelopen vijftien jaar verdedigde Cees Korvinus, advocaat, geregeld mensen die hun partner hebben gedood of daartoe een poging deden. Dezer dagen behandelt hij de zaak die als de Haarlemse Stoeptegelmoord bekend zal worden. In het geval van zijn cliënte, mevrouw S., was er sprake van voortdurende bedreiging en geweld door haar echtgenoot. Deze verbood haar ieder contact met de buitenwereld. Hij sloot alle deuren en ramen af als hij het huis verliet, en maakte duidelijk dat als zij het in haar hoofd haalde om weg te lopen, hij haar zou weten te vinden. Zij werd verschillende malen verkracht en gedwongen tot seksuele handelingen met derden. De echtgenoot, een keurige douanier, stopte allerlei apparaten in haar vagina, waaronder zijn gummiknuppel. Toen zij voor de zoveelste maal was verkracht, en hij in slaap viel, sloeg ze hem met een stoeptegel de schedel in. Tegen de uitspraak van vijf jaar gevangenisstraf met tbs ging Korvinus in hoger beroep. “De aanklacht luidt moord, omdat mevrouw S. haar man doodde op een moment dat zij zelf niet werd bedreigd. In de Verenigde Staten zijn ze wat dit aangaat een stap verder. Daar wordt als verdedigingsgrond steeds vaker het zogenoemde battered women syndrome geaccepteerd. Vrouwen die door hun man vaak worden geïntimideerd, geslagen en verkracht, vertonen op den duur een volstrekt onderdanig en hulpeloos gedrag. Dat is ook de reden waarom zij niet meer uit zo'n situatie kunnen stappen. Wanneer zij voorbij "the point of no return' gaan, is de dood van hun man of vriend de enige mogelijkheid om te ontsnappen. Die vrouwen, en het zijn er veel, verkeren in een voortdurende toestand van noodweer, een rechtvaardigingsgrond of een verzachtende omstandigheid waarvoor de Amerikaanse rechter wat meer oog heeft dan de Nederlandse.”

Volgens Korvinus krijgen vrouwen in Nederland met een battered women syndrome veel te hoge straffen. Het psychiatrisch rapport van mevrouw S. deed hem knarsetanden. “Daarin staat dat zij lijdt aan "ikzwakte', dat ze om die reden deze partner uitzocht en later opnieuw zo'n gewelddadige partner zal kiezen. De kans is volgens het rapport groot dat die situatie zich dan zal herhalen. Vandaar ook tbs. In feite gaat tbs in dit geval uit van de krankzinnige redenering dat de man die deze vrouw in de toekomst zal slaan, tegen haar in bescherming moet worden genomen. Dat kan nooit de bedoeling van deze regeling zijn. Binnen de Nederlandse rechtspraak zou in dergelijke situaties volstaan kunnen worden met een ruimere interpretatie van de begrippen noodweer en noodtoestand. Dat wordt hoog tijd.”

De Boer ontdekte ook nog het zogenoemde "pre-spouse killing syndrome', dat verwijst naar de periode die aan de daad voorafgaat. Een echtpaar belandt in de gevarenzone als er sprake is van de volgende symptomen: langdurige tegenslag teistert de echtelieden en ontwricht het leefpatroon. Bezoek blijft weg wegens de vele ruzies en spanningen. Hun isolement groeit, drankmisbruik en vernielzucht van dierbare bezittingen nemen toe, perioden van verzoening worden steeds korter. Gebeurtenissen die menige (echt)scheiding kenmerken.

De Boer: “Inderdaad. Eigenlijk is het een wonder dat partnerdoding niet vaker voorkomt. Want waar geslagen en gescheiden wordt, komt - al is het maar voor even - de gedachte op: "Ik sla hem of haar nu dood.' Als we iedereen die wel eens met deze gedachte speelt, zouden opsluiten, dan moeten er in Nederland nog heel wat gevangenissen en psychiatrische klinieken worden bijgebouwd”.