Gemakzuchtig vormgegeven clichés

Voorstelling: Die Stunde da wir nichts voneinander wussten van Peter Handke door Maatschappij Discordia. Gezien: Toneelschuur 18/11. Te zien t/m 21/11 aldaar.

Waar eindigt de ontwikkeling van Maatschappij Discordia? Nog een paar jaar, vrees ik, en dan is de toeschouwer overbodig geworden. Ervaring leert dat Jan Joris Lamers c.s. het liefst voor lege zalen spelen. De bezoeker van een Discordia-voorstelling mag maar net auteur en titel weten, en daarmee is de kous af. Eventuele vertaler, naam van de spelers doet er niet langer toe. Publiek, ik veracht u!

Wat ertoe doet, is dat een handjevol trouwe, bewonderaars de weg naar het theater weet te vinden waar Discordia speelt. Haar minachting is ook een daad van heroïek: hoe massaler de kunst wordt, hoe meer public relation-managers de grote gezelschappen in dienst nemen, des te schimmiger het bestaan van Maatschappij Discordia. Een schrijver of schilder kan zich terugtrekken in volslagen afzondering en eenzaamheid; toneelspelers kunnen dat niet. Zij zijn gedwongen tot openbaarheid. Het probleem van Discordia is dat het kleine gezelschap hoogmoedig in teruggetrokkenheid wil leven. Maar door niemand waargenomen toneel bestaat niet.

Nu is er de nieuwe Peter Handke in de Haarlemse Toneelschuur: Die Stunde da wir nichts voneinder wussten. Als Handke het niet had geschreven, had Discordia het zelf gemaakt kunnen hebben. Van de speelvloer gebruiken de spelers een smalle reep tegen de zijmuur. Met tekstboek in de hand leest Lamers niets dan regie-aanwijzingen voor, want daaruit bestaat het stuk. Honderden aanwijzingen voor honderden naamloze personages. Er is iemand met een zwarte hoed op - en daar gaat de acteur met een krant tot muts gevouwen op het hoofd. Hij komt op, gaat af. Een ander speelt een dwerg in een regenjas, een derde een moderne zakenman. Men bootst vogelgeluiden na, erg mooi gedaan. Enzovoort, tot het je begint te draaien voor ogen. Maar helaas heeft die stoet van personages geen hallucinerend effect. Alles is illustratie en uitbeelding van een type. Soms gebeurt dat, met minimale middelen, trefzeker. Vaker is het maniëristisch en welbewust stuntelig, welbewust de illusie verstorend, welbewust het tegendeel doen van wat de tekst geeft, zo van: “Kijk eens, die Handke zegt kiezelsteentjes en wij strooien met papiersnippers.”

Wat me aan een voorstelling als deze tegenstaat, is dat je er alleen over kunt nadenken in gemeenplaatsen van hedendaagse kunstopvattingen. Het zal wel de postmoderne vervreemding zijn, de versplintering van het "ik', de manifestatie van de leegte, de wereld die eigenlijk een labyrint is, toneel over toneel. Op die manier is het theater de adstructie van een theorie geworden die de eigen kunstvorm - het toneel - de nek omdraait. Ik word er weerspannig van, niet omdat de wereld een labyrint zou zijn of omdat een grote, koesterende samenhang in deze eeuw verloren is gegaan, maar door de gemakzucht waarmee toneelkunstenaars daar zogenaamd vorm aan geven.