DOOR GANS FRANKRIJK RIJDEN DE KRUIWAGENS

La France du piston door Claude Askolovitch en Sylvain Attal 298 blz., Robert Laffont 1992, f 47,30 ISBN 2 221 06934 X

Wie in Frankrijk niet over een piston beschikt, een "kruiwagen' - vitamine "R' zouden we in Nederland zeggen - is reddeloos verloren. Geen piston, dat wil zoveel zeggen als: geen hulp van anderen, geen protectie van een invloedrijk man, geen clan om bij te horen. Iemand zonder piston speelt geen rol van betekenis in het reusachtige netwerk van diensten en wederdiensten in de Franse samenleving, en dat is een goede reden hem voortaan te mijden.

Het is voor de Fransman ondenkbaar dat mensen op eigen kracht een positie van enige betekenis weten te veroveren. Heeft iemand een mooie baan gevonden, dan luidt de vraag steevast: Wie heeft jou eigenlijk "gepistonneerd'?

Het wezen van de "kruiwagen' als smeerolie van de Franse samenleving is nu onomwonden te boek gesteld door de journalisten Claude Askolovitch en Sylvain Attal in La France du piston. Zij gingen voor dit werk tot in de uithoeken van het land op zoek naar alledaagse vormen van bevoordeling, nepotisme en coöptatie. Aldus bieden zij een blik op de Franse samenleving die onthullend is, en misschien voor sommigen ook wel onthutsend.

Eén ding is zeker: hoe voornamer de afkomst, des te meer kansen zich voordoen te worden "gepistonneerd'. En de ongelijke strijd voor de Franse burgers begint al vóór de geboorte. De beste plek in Parijs om te bevallen is Saint-Vincent-de-Paul. Het is zinloos in geval van zwangerschap een plaats in deze kliniek te reserveren; alles is immers bezet. Maar indien de aankomende ouders vertrouwd zijn met een van de artsen van het ziekenhuis is een belletje voldoende; dan blijkt steevast dat er ondanks ruimtegebrek toch nog een bed vrij is. Het allermooiste is natuurlijk interventie van bovenaf. Je belt een bevriende minister, legt uit wat er aan de hand is en hij zegt: voor jóu maak ik dit in orde.

Direct na de geboorte volgt de kwestie van de crèches. In Parijs zijn per honderd kinderen slechts veertig plaatsen beschikbaar en hoe kun je voorkomen dat jouw kind bij de overige zestig hoort? Zorgen dat je invloed hebt bij de gemeente; iemand bellen die jou ooit belde om een gunst te vragen. Of journalist zijn, want de burgemeester van Parijs is bijzonder gesteld op journalisten. Een redacteur van Le Figaro slaagde er onlangs niet in z'n kind geplaatst te krijgen en wat bleek? Hij was vergeten op het formulier z'n beroep te vermelden. Hij belde toen de gemeente, stelde zich voor en kreeg te horen: ""Maar u bent journalist? Dat konden we niet weten'', en er bleek alsnog een plek te zijn.

VEEL GELD

In heel Parijs zijn maar enkele lycea die er toe doen. Voor jongens is Louis-le-Grand het summum, voor meiden Fénelon. Op beide instituten is het onderwijs net zo beroerd als elders, maar op welke andere school zitten kinderen met zulke invloedrijke ouders? Al in 1750 stuurde de vader van Donatien de Sade zijn zoon naar Louis-le-Grand. Het kostte veel geld, maar hij beschouwde dit als een investering in de toekomst van de markies. Nog altijd heeft de school een enorme reputatie en ministers of hoge ambtenaren gebruiken al hun invloed om hun kinderen hier naar binnen te loodsen.

Na onderwijs en studie volgen twee krachtproeven die bepalend zijn voor de rest van het leven: het huwelijk en de carrière. Wat het huwelijk betreft, zijn de codes nauwelijks nog in tel. Sinds de partner niet langer op zakelijke gronden wordt gekozen, heeft de piston hier enorm aan kracht ingeboet.

Bij het vinden van een betrekking is gelukkig meer bij het oude gebleven. Een baan zoeken via advertenties in de krant is natuurlijk helemaal fout; typisch iets voor mensen zonder kruiwagen. Nee, het is zaak dat de hele familie zich in de strijd werpt en alle invloed wordt aangewend om de jonge arbeidskracht goed geplaats te krijgen.

De schrijvers van La France du piston zijn wezen speuren bij RSCG, Frankrijks bekendste reclamebureau. Bij RSCG, zo is ze gebleken, komt nieuw personeel maar op één manier binnen: via grote klanten. Een van die klanten is Citroën en als de zoon van een Citroën-directeur een baan zoekt, dan belt hij naar RSCG. Is er soms een plek vrij? Ja, voor hem is altijd een plek vrij. Er is hier een klant in het geding en bovendien: de vader heeft het ver geschopt, zou die zoon dan een domkop zijn?

Wat een goede afkomst vermag, is duidelijk, maar de mensen uit eenvoudige families zitten daarom nog niet stil. Neem de Franse rugbyclubs. Een rugbyspeler zonder werk is een zeldzaamheid. Op de clubs zijn het de jongeren die spelen en de ouderen die besturen. Dat besturen beperkt zich niet tot de wedstrijden. Altijd kunnen de spelers bij de clubleiding aankloppen en er zijn geen problemen waar niet een oplossing voor is. Zoekt iemand werk, dan krijgt hij werk, want hij is van de club. De club is een clan en zo moeten er inmiddels meer dan honderdduizend banen zijn vergeven.

VRIENDSCHAP EN VERTIER

Dan zijn er ook de onverwoestbare regionale en lokale banden. Al rond de eeuwwisseling trokken mensen weg uit de Auvergne, richting Parijs. Daar werden verenigingen opgericht voor vriendschap en vertier. En voor werk. De eerste Auvergnats in Parijs waren cafés begonnen en zo werd de horeca een branche waarin zij de buit verdeelden; onder elkaar. Al snel kon er geen jongen uit de Auvergne naar Parijs komen of hij kwam in een bar te werken, in dienst van een Auvergnat. Wilde hij voor zichzelf beginnen, dan ontving hij hulp van streekgenoten. Beginkapitaal, korting bij de inkoop van drank; alles werd onderling geregeld en tot de dag van vandaag is de Parijse horeca grotendeels in handen van Auvergnats.

Tegenwoordig heeft iedere minderheid zo een eigen territorium bevochten. In Parijs beheersen joden de textielbranche, komen conciërges uit Portugal, hebben Marokkanen de kruidenierswinkels en zitten Aziaten op taxi's. Allemaal komen ze ergens anders vandaan en allemaal begrepen ze snel dat Frankrijk een jungle is, onleefbaar zonder bondgenoten.

In de Franse politiek vinden dienst en wederdienst hun volmaakte evenwicht. De burgemeester is gekozen, het kamerlid is afgevaardigd door z'n eigen regio en beiden is er alles aan gelegen om het de mensen naar de zin te maken. Een groot deel van de dag gaat daarom heen met het vergeven van gunsten. Hier een bouwvergunning, daar een studiebeurs, uitstel van militaire dienst, een baantje op het gemeentehuis; zo gaat dat met les gens de chez nous. Ieder verzoek van de burger wordt serieus genomen, anders volgt bij de verkiezingen een hardhandige afstraffing.

De stad Parijs heeft duizenden woningen in bezit, soms op de mooiste plekken. Zo is een groot deel van de rue de Seine - hartje Saint-Germain - in handen van de gemeente en toen het blad Le Canard Enchané een keertje uitzocht wie daar woonden, kwam het hele organisatiemodel van de gemeentelijke staf op tafel. Medewerkers van Jacques Chirac, kinderen van medewerkers, overige familie en bekenden; ze woonden allemaal in de rue de Seine, op de mooiste appartementen en tegen de laagste huren.

Bij het bekend worden van deze saillante informatie is geen onvertogen woord gevallen. Moest Jacques Chirac die mooie woningen soms aan mensen geven die hij niet kende? Maar dan had hij het beginsel van vriendschap en trouw met voeten getreden. Dan had hij niets van de piston begrepen en zou het gedaan zijn met z'n politieke carrière.

MOOIE BETREKKING

Ook de Franse president is een pis-tonneur in hart en nieren. Zijn hele loopbaan heeft Mitterrand in clans geopereerd en de meeste vrienden van weleer hebben daar een mooie betrekking aan overgehouden. Minister, staatsraad, adviseur aan het Elysée, hoge onderscheidingen, dienstwoningen als paleizen; ze zijn beloond voor bewezen trouw, ongeacht hun politieke voorkeur.

Nooit bestaat "pistonneren' uit domweg geld weggeven. De essentie is een ander de mogelijkheid te bieden geld te verdienen. "Pistonneren' is een spel van behendigheid, van trouw en van principes, maar wel principes die alleen bestaan als er bekenden in het spel zijn.

Wie denkt dat dit boek, met zijn haarscherpe ontleding van het Franse "kruiwagen-systeem' een aanklacht is, heeft het mis. Zowat op elke bladzijde worden de voordelen van de piston luidkeels bezongen en na lezing van La France du piston is het nauwelijks nog de vraag hoe dit boek tot stand is gekomen. Claude Askolovitch, de ene auteur, zat zonder werk. Op voorspraak van een vriend kwam hij bij Le Nouvel Observateur terecht. Voor dit weekblad moest hij een stukje schrijven over het verschijnsel van de piston. Daar zit vast een leuk boek in, dacht hij bij zichzelf. Alleen, hij moest een co-auteur zien te vinden. Een advertentie zetten? Bij een schrijver of een bekende socioloog aankloppen? Al die mogelijkheden vielen af.

Nee, hij ging op zoek in eigen kring, net zo lang tot hij op een oude studievriend stuitte, toevallig ook journalist. Daarna moest het schrijfwerk nog beginnen, maar aan de belangrijkste voorwaarde was voldaan: hij had zich niet op vreemd terrein gewaagd. De reflex om met een bekende in zee te gaan, had naar behoren gewerkt.