De seropositieve versie van "A bout de souffle'

"VPRO Cinema-primeur: The living end', Ned.3. 22.44-0.05u.

"Een onverantwoordelijke film' is de ondertitel die regisseur, schrijver, cameraman en cutter Gregg Araki zelf aan zijn derde werk, The Living End, schonk. Die ironie is slecht besteed aan zowel conservatief Amerika als aan de georganiseerde "gay movement'. Die weet slecht raad met de punk-romantiek van een "road movie' over een seropositief liefdespaar, dat geen behoefte meer heeft aan safe sex en liever flirt met de dood dan een buddy-netwerk om zich heen organiseert. In de VPRO-gids van deze week verwijt Paul Verstraeten, organisator van het Amsterdamse International Gay & Lesbian Festival, Araki dat hij zijn hoofdrolspelers in een sociaal isolement plaatst, alsof er de laatste tien jaar geen ontwikkeling heeft plaats gevonden in het denken over en omgaan met AIDS.

Die visie ziet over het hoofd dat The Living End nadrukkelijk geen realisme, laat staan voorlichting nastreeft. Met een explixiete verwijzing naar Alice in Wonderland doen twee gebeurtenissen op dezelfde dag Jon (Craig Gilmore), een jonge filmcriticus uit Los Angeles die een artikel schrijft over de dood van de cinema, plotseling "achter de spiegel' belanden. Eerst vertelt een arts hem verontschuldigend dat hij het HIV-virus draagt, dan struikelt de voortvluchtige macho-zwerver Luke (Mike Dytri) over zijn auto, net nadat deze drie potenrammers overhoop geschoten heeft. Voor hij het weet is de filmtheoreticus terecht gekomen in een soort film als die van zijn idool Jean-Luc Godard, een Amerikaanse punkversie van A bout de souffle. Dytri, die niet aarzelt zijn fallische pistool leeg te schieten op politieagenten, moordlustige lesbiennes, betaalautomaten of wat hem verder maar voor de voeten komt, steekt net als Jean-Paul Belmondo zijn permanent in de mond bungelende sigaret nooit aan. De twee mannen beginnen aan een reis via San Francisco naar de woestijn en bereiken al snel, als Bonnie and Clyde, Thelma and Louise of al die andere gedoemde paren uit de filmgeschiedenis, een punt waarvandaan geen terugkeer meer mogelijk is naar de beschermde en legale wereld. Als Jon Luke aarzelend vertelt over de uitslag van zijn AIDS-test, antwoordt die grijnzend: “Welkom bij de club!”.

Araki volgt ook Godard na in zijn zeer creatieve en pregnante gebruik van de geluidsband. Terwijl de seks-scènes in The Living End (werktitel: Fuck the World) behoorlijk expliciet verbeeld worden, blijft het minstens zo talrijke geweld voornamelijk buiten het kader. De meeste willekeurige moorden worden slechts gesuggereerd door doffe dreunen of knallen op de soundtrack, met stukjes zwart beeld, in de bekende traditie van de nouvelle vague, als interpunctie. De beweeglijke cameravoering, gebaad in overwegend blauw licht, bewijst nog eens de potentiële schoonheid van een uit noodzaak geboren low-budgetfilm.

Vergeleken met zijn ook in Nederland in de filmhuizen vertoonde, aanstellerige debuutfilm Three Bewildered People in the Night, is Araki's woedende fantasie over liefde tot in de dood een enorme stap voorwaarts. Als The Living End een dergelijk roulement op een groot scherm zou hebben gekregen, was de discussie over de intenties en de buiten kijf staande kwaliteit van de film in Nederland waarschijnlijk net zo hevig los gebarsten als in Amerika. De exclusieve vertoning in de VPRO-reeks "Cinema Primeur' blokkeert de facto de mogelijkheid dat The Living End meer dan incidentele aandacht krijgt. Het kan wellicht als progressie aangemerkt worden dat de militante homoseksualiteit van een op televisie vertoonde film nu niet meer zo veel schandaal veroorzaakt als een jaar of tien geleden het veel bravere Taxi zum Klo.