DE EERSTE WERELDOORLOG IS NU PAS VOORBIJ; Historicus Fritz Stern over Duitsland

Goud en IJzer. Bismarck, Bleichröder en het ontstaan van het Duitse Rijk door Fritz Stern 784 blz., geïll., Agon 1992 , vert. Roelof Manning (Gold and Iron 1977), f 69,90 ISBN 90 5157 117 8

De val van de Muur leidde bij velen tot een uitbarsting van euforie over het nieuwe, mooie Europa dat nu eindelijk op het punt stond geboren te worden. Maar niet bij iedereen, en zeker niet bij de regeringen in Parijs en Londen. Premier Margaret Thatcher riep in maart 1990 een aantal Britse en Amerikaanse Duitsland-kenners bij zich op haar buitenverblijf Checquers om meer te weten te komen over ""het wezen der Duitsers'' en zo haar houding te kunnen bepalen ten opzichte van het nieuwe Duitsland in wording.

Een van hen was de beroemde Amerikaanse historicus Fritz Stern. Hij werd in 1926 geboren in Breslau en ontvluchtte met zijn joodse ouders in 1938 nazi-Duitsland. Hij doceerde aan Yale en Cornell en is nu hoogleraar aan de Columbia University in New York. Sinds de jaren vijftig publiceert hij over Duitsland. De aanleiding voor een vraaggesprek in zijn bescheiden buitenhuis in het plechtstatige Princeton in New Jersey is de verschijning van de Nederlandse vertaling van zijn uit 1977 daterende magnum opus, Goud en IJzer. Bismarck, Bleichröder en het ontstaan van het Duitse Rijk. Maar het gesprek komt via het recente, enigszins ongemakkelijke bezoek van koningin Elizabeth aan Duitsland automatisch op die roemruchte samenkomst op Checquers met de bezorgde Thatcher.

Stern: ""Wij probeerden de IJzeren Dame ervan te overtuigen dat er een ander Duitsland was ontstaan. Ze vond het moeilijk, zo niet onmogelijk ons te geloven. Haar wantrouwen was enorm. Ik zei al aan het begin van dat overigens plezierige seminar dat het Anglo-Duitse antagonisme een van de grootste tragedies is van de 20ste eeuw.''

Groter dan de Frans-Duitse tegenstelling?

""Oneindig veel groter. De Duitsers en de Fransen hebben eeuwenlang oorlog met elkaar gevoerd, eigenlijk al sinds de Dertigjarige Oorlog. De Fransen wonnen meestal, tot de smadelijke nederlaag in Sedan in 1870, waarna het Duitse tijdperk aanving. Maar de relatie tussen de twee landen bleef intens. Al was de angst van de Fransen voor de Duitsers sindsdien groter dan omgekeerd, men bleef met elkaar omgaan op basis van dezelfde opvatting: we bestrijden elkaar, maar we kennen elkaar en we hebben elkaar nodig.''

In Goud en IJzer, het Buddenbrooks-achtige epos over Duitsers en joden, over macht en geld, komen inderdaad, ondanks de oorlog van 1870-71, weinig haatgevoelens over de Fransen naar voren. En Bismarck wist wat haten was. ""Ik heb de hele nacht gehaat'', zei hij eens. Zijn oorlogen had hij nodig voor behoud en versterking van zijn ideaal: het monarchale Pruisen. Ook de Duitse eenwording diende dat doel.

Tegen Frankrijk zelf had Bismarck, geboren in het jaar van Waterloo, weinig; alleen tegen de revolutionaire ideeën die daar vandaan kwamen. Hij kende het land goed, had er enkele van de gelukkigste periodes van zijn leven doorgebracht en sprak graag en vloeiend Frans. Voor zijn joodse bankier en adviseur Gerson Bleichröder, wiens voorname rol door Bismarck stil werd gehouden, was Frankrijk het thuisland van de Parijse Rothschilds die het bedrijf van zijn vader het eerste aanzien hadden gegeven. Voor hem was het contact met Parijs zijn belangrijkste connectie in het buitenland.

Bismarck deed er na 1871 veel aan een goede verstandhouding met Frankrijk te kweken. Tegen de Franse ambassadeur zei hij: ""Ik zou willen dat u Sedan vergaf, zoals u ook Waterloo hebt vergeven''. Na 1880 streefde hij zelfs naar een Frans-Duitse entente omdat toen zijn "bête noire' bij uitstek, Gladstone, in Engeland weer aan de macht was gekomen. Gladstone haatte hij meer dan welke Franse politicus ook. Bismarck had weliswaar Shakespeare en Byron verslonden in zijn jeugd, maar daar hield zijn sympathie voor Engeland ook mee op. En Bleichröder had weinig met Engeland van doen omdat de Britse regering geen beroep hoefde te doen op zijn financiële diensten. Engeland had, als enige echte wereldmacht, zelf geld genoeg. Zo richtte alle aandacht van Bismarck zich op Frankrijk en de rest van Europa, niet op Engeland. Pas na Bismarcks val in 1890 traden er spanningen op tussen Engeland en Duitsland, over de koloniale politiek en vooral door de direct tegen de Britse wereldhegemonie gerichte "Weltpolitik' van keizer Wilhelm II.

Stern: ""In Engeland was de publieke opinie vóór 1914 minder anti-Duits dan in Frankrijk. Maar de Duitsers daagden, vanaf de vlootbouw, de Britten sterker uit dan welk ander volk ook. Ze vochten de Britse positie als wereldmacht aan. En Engeland moest in de Eerste Wereldoorlog door de onderzeebootacties in 1917 ook bijna op de knieën.''

Maar na 1945 hebben de Duitsers de Britten toch weinig last bezorgd?

""Er waren inderdaad tijden dat de relatie beter was dan nu. Maar de wrok die nu komt bovendrijven dateert wel degelijk uit de Eerste Wereldoorlog. Na 1945 hadden de Britten wel veel koloniën verloren, maar ze konden er prat op gaan beide wereldoorlogen te hebben gewonnen, en er was nog wat "Empire' over om hun illusies te kunnen blijven koesteren. De wrok is nu zo groot omdat dat Empire nauwelijks meer iets voorstelt en omdat de "special relationship' met de Verenigde Staten steeds minder inhoudt. Engeland voelt nu pas dat het gedoemd is een Europese mogendheid te zijn, en dat het wegens de eigen economische neergang niet op kan tegen de macht van dat nota bene twee keer verslagen Duitsland.''

Die Eerste Wereldoorlog houdt Stern nog altijd bezig: ""Ik werk nu aan een kort boek over de periode 1914-1989.'' In de nieuwe inleiding van de dit jaar verschenen heruitgave van zijn essaybundel The Failure of Illiberalism schreef hij waarom: ""Vanuit het huidige perspectief - het perspectief van een getransformeerd Europa - is de Eerste Wereldoorlog een nog grotere aardbeving geweest dan we altijd al dachten. Die aardbeving verwoestte het oude historische Europa. We zien deze oorlog nu nog duidelijker dan voorheen als prelude op het totalitaire tijdperk. Deze eerste totale oorlog sanctionneerde geweld, deed het nationalisme ontvlammen, vestigde een door de oorlog bepaald staatssocialisme en vergrootte elk bestaand probleem. De hoop dat uit die oorlog een nieuwe wereld te voorschijn zou komen, een wereld "safe for democracy', was alleszins opmerkelijk.''

Neemt u 1989 als eindpunt omdat dit keer die hoop gerechtvaardigd is? Is uw optimisme uit maart 1990 over Duitsland en de ontwikkelingen in Oost-Europa nu nog even groot?

""Au fond blijf ik optimistisch, ondanks de problemen in Duitsland, ondanks de horreur in Joegoslavië en ondanks de chaos in de voormalige Sovjet-Unie.''

Dus uw nieuwe boek zal eerder eindigen met Vaclav Havel dan met Helmut Kohl?

""Inderdaad, met de dissidenten van de jaren tachtig zoals mijn goede, oude vriend Havel.''

Waarom geen analyse van de manier waarop Kohl de eenwording tot stand heeft gebracht, zoals u dat met Bismarck heeft gedaan? Kohl wordt toch wel eens vergeleken met Bismarck?

""Ach, ze hebben zo'n verschillende achtergrond, stijl en persoonlijkheid. Toen ik Kohl in de jaren vijftig voor het eerst ontmoette, was hij een gewone regionale partijbons. Hij heeft zich langzaam maar gestaag door het partij-apparaat omhoog gewerkt, zonder enige bijzondere prestatie te hebben geleverd. Terwijl Bismarck...''

Stern zwijgt even, alsof hij beduusd is van de vergelijking.

""Nou ja, Bismarck was een heftig, onafhankelijk persoon, maakte zijn persoonlijke "Sturm und Drang' periode mee, en grote omwentelingen. Eenmaal aan de macht leverde hij enorme gevechten met het parlement, over de grondwet, het leger, etcetera. Hij voerde oorlogen. Hij opereerde zelfstandig, volgens eigen ideeën. Hij moest gaandeweg situaties en systemen creëren. Kohl is een bureaucratisch produkt, altijd opereerde hij in een bestaand, parlementair systeem. En wat heeft Kohl persoonlijk meegemaakt in vergelijking met Bismarck, Adenauer of Brandt? En wat zijn z'n ideeën bij de hunne vergeleken?

""Hij volgde gewoon de ideeën van Adenauer. Kortom, Kohl is een politicus, een zeer schrander politicus, maar een politicus. Hij bracht de eenwording tot een goed einde op basis van zijn instinct, zeer actief, zeer doelbewust, met de zekerheid van een slaapwandelaar. Bismarck was na 1871 een heel ander mens dan ervoor. Ik denk niet dat er enig verschil is tussen Kohl van voor 1989 en na 1989. Hij is na de eenwording teruggeveerd tot de bijzonder getalenteerde politicus die hij was. Hij zal hetzelfde lot ondergaan als Bush en Thatcher.''

Bij u klinkt het woord politicus niet erg positief.

""Dat slaapwandelen was een groot compliment. Maar men kan Kohl er niet echt van beschuldigen een staatsman te zijn. Hij mist een zekere morele dimensie, laat staan de autoriteit van een Brandt, Schmidt en Weizsäcker. Het getreuzel over de erkenning van de Oder-Neisse-grens, de onderschatting van de psychologische en financiële kosten van de eenwording, dat maakt hem niet tot een staatsman. Het is weer een eenwording met een grote mate van teleurstelling, wat zeer ernstige gevolgen heeft.''

Vreest u nieuwe vormen van "illiberaliteit', dat u het kenmerk heeft genoemd van de periode 1866-1933, en reden waarom het nationaal-socialisme nooit een Muur nodig heeft gehad?

""Niet echt. De problemen zijn groot, maar Bonn is geen Weimar. De brandbommen gooiende Skinheads hebben geen ideologie, alleen frustratie. De elite en de overgrote meerderheid van het volk steunen nu het politieke bestel.''

Toch zag Stern vroeger ook in de Bondsrepubliek af en toe "angstaanjagende reflexen' van "illiberaliteit'. Zoals in 1961, toen de eerste "Historikerstreit' uitbrak naar aanleiding van Fritz Fischers werk Griff nach der Weltmacht waarin hij Duitsland als hoofdverantwoordelijke aanwees voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. De meeste Duitse historici trachtten Fischer in diskrediet te brengen, zelfs monddood te maken, en Stern sprong voor hem in de bres.

Zo'n heftig afwijzende reactie van de rechterzijde op het aansnijden van taboes ondervond Stern vijfentwintig jaar later zelf. In een rede naar aanleiding van de 17de juni had hij het gewaagd te zeggen dat deze "Dag der Nationale Eenheid' helemaal die betekenis niet had, maar dat de Oostduitse opstand in 1953 vooral een uitbarsting van ontevredenheid was van de arbeiders over hun arbeids- en levensomstandigheden. "Stern is tegen de Duitse eenwording', zo luidde de kritiek, en die was heftig omdat Stern toen reeds een beroemd Duitsland-expert was.

Die roem had hij te danken aan zijn tien jaar eerder, in 1977, verschenen boek dat bijna even baanbrekend was als Fischers werk: het nu vertaalde Gold and Iron. In dit boek belichtte hij een zijde van de Duitse geschiedenis die tachtig jaar lang door de Duitse historici niet toevallig volstrekt was genegeeerd: de centrale rol die de joodse bankier Gerson Bleichröder - opgeklommen vanuit het getto tot rijkste man van Duitsland - in Bismarcks buitenlandse politiek vervulde. Bleichröder financierde Bismarcks oorlogen, was zijn persoonlijke en internationale bankier, trad op als geheim agent, als omkoper van de pers, als economisch adviseur en als wegbereider van de financieel-economische expansie in vooral Midden- en Oost-Europa. Stern baseerde zijn werk op in lange jaren bij elkaar gesprokkelde Bleichröder-archieven.

De Bismarck-Bleichröder connectie weerspiegelde, aldus Stern zelf, ""de band tussen regering en kapitaal, diplomatie en financiën, publieke en particuliere belangen. Het was één groot weefsel van wederzijdse belangen, voordelen en behoeften.'' Ondanks alle details over aandelen, opties, regelingen en rentepercentages is dit epos over de opkomst, triomfen en ondergang van "de Junker en de jood' meeslepend. De dertig jaar durende, steeds vertrouwelijker wordende relatie tussen de staatsman en de bankier staat symbool voor het geheel van de Duitse ontwikkeling in de tweede helft van de negentiende eeuw: van onmacht naar macht, van grote triomfen en grote veranderingen naar uiteindelijke nederlagen en tragiek, zowel menselijk als politiek. En dat alles door de frustraties en verlangens als gevolg van een neerdrukkend verleden, een even dynamisch als verwarrend heden, en een onbestemde toekomst.

Dat Golo Mann Goud en IJzer bij verschijning ""een van de belangrijkste geschiedwerken van de laatste decennia'' noemde, sloeg op de bijna roman-achtige benadering van het complexe karakter van de Bismarckperiode. Maar vooral op het feit dat de dood van deze, tijdens zijn leven even bewonderde als gehate maar in elk geval beroemde, Bleichröder ook een historische dood had betekend. Pas Stern wekte hem weer tot leven. In het bijzonder werd daarmee de nauwe band tussen Bismarck en een jood in de herinnering geroepen; en meer in het algemeen de rol van de joden in de opbouw van Duitsland, een feit waaraan de Duitsers vanaf de eerste golf van antisemitisme in de jaren 1880 niet meer herinnerd wilden worden.

Op de vraag of er nu geen Bleichröder-achtige "insight story' te vertellen zou zijn over Kohl, een "Bleichröder' en de Duitse eenwording, zegt Stern: ""Ik geloof niet dat er nu iemand is die voor Kohl dezelfde, nu verontachtzaamde of onbekende, rol speelt als Bleichröder voor Bismarck. In de geschiedschrijving van de Bondsrepubliek zal niemand de rol van de Bundesbank vergeten. En ik denk ook niet dat Kohl een geheime adviseur, gebedsgenezers, matresse of wat ook, heeft. Het zijn nu details die onbekend zijn, zoals zijn afspraken met Gorbatsjov in de Kaukausus waar hij zijn Duitse eenheid regelde.''

Zelf weet Stern niet waarom zijn Gold and Iron nu plotseling zo succesvol is in Frankrijk en Italië (een Japanse vertaling is in de maak). Wellicht wordt er, ondanks Sterns aarzeling deze vergelijking te maken, toch onbewust een vergelijking gemaakt tussen Bismarcks "Building of the German Empire' en de huidige politiek-economische eenwording en expansie van Duitsland. Veel van de thema's in Sterns boek lijken weer tamelijk actueel: de effecten van het kapitalisme, de strijd tussen democratie en autoritarisme, het opkomende nationalisme, imperialisme, het antisemitisme in een modern jasje. En misschien vloeit dit succes ook wel voort uit het besef dat zowel de menselijke en maatschappelijke verhoudingen als de "Realpolitik' van het statensysteem wederom complexer worden, misschien wel weer net zo complex als in de tijd van Bismarck.

Zelf typeert Stern Goud en IJzer als ""een studie van een maatschappij in beweging; mobiliteit was haar wezenskenmerk en haar trauma''. Over de figuur Bleichröder zegt Stern in de laatste zin van het lange epos dat zijn verhaal ""het verhaal van hybris, in hem en tegen hem'' is. ""Er zijn lessen in zijn leven die veel verder gaan dan zijn invloed of fortuin ooit reikten.''

Welke?

""De gevaren van onkritische verering van macht, van politieke en psychologische repressie en de verleidingen van macht en geld. Ik heb de tijd van het keizerlijke Duitsland een tijd van "autistische arrogantie' genoemd. Dat zie ik nu nog niet gebeuren. Maar als de mensen willen weten hoe het verder gaat met Duitsland, moeten ze kijken hoe de Duitsers elkaar behandelen. Als de Duitsers hardhandig optreden, doen ze dat het eerste tegenover elkaar.''

Fritz Stern geeft 26 november een lezing gevolgd door discussie over "Continuïteit en discontinuïteit in de Duitse geschiedenis', Oudemanhuispoort, Amsterdam, aanvang 20.00 uur.