DE BURGER EN DE POLITIEK

De afgelopen vijfentwintig jaar heeft zich in onze cultuur, dat wil zeggen in de relatie burger-politiek, een breuk voltrokken. Over de oorzaken van die breuk, de gevolgen ervan en de verantwoordelijkheden die eruit voortvloeien voor de politiek, hield H.A.F.M.O. van Mierlo, voorzitter van de Tweede-Kamerfractie van D66 gisteravond in Gouda de jaarlijkse Coornhertrede.

Er is waarschijnlijk geen land in West-Europa - misschien wel in de hele wereld, waar de relatie burger-politiek het grootste deel van deze eeuw zo evenwichtig en sluitend is geweest als in Nederland. Dat komt geheel op het conto van het in de wereld unieke systeem van het zuilenstelsel. In de geborgenheid daarvan ontwikkelde zich de relatie burger-politiek. Het is van groot gewicht dat de afronding van onze formele democratie, algemeen kiesrecht en evenredige vertegenwoordiging, in het begin van deze eeuw plaatshad op een moment dat de zuilenmaatschappij er al was, en aan alles vorm gaf. Ook aan ons politiek stelsel. Zo is ook Nederland de eerste twintig jaar na de oorlog.

Nederland herrijst, min of meer naar het model van voor de oorlog. De politieke partijen hebben wat andere namen, maar de zuilen staan kaarsrecht. Ze besturen het land. De cultuur is de pacificatie- democratie voor het bestuur en de overleg-economie voor de sociaal-economie. De werkelijke maatschappij waarin je woont, is de zuil. Daarin is het gezin, de school, de kerk, de sport, de omroep, de vakbond, de politieke partij. Zelfs de winkels waar je koopt zijn van eigen gezindte. Aan de basis van de zuil is veelal segregatie en georganiseerde intolerantie. Hogerop in het middenveld en aan de top wordt onderhandeld met andere zuilen en worden afspraken gemaakt over vreedzame coëxistentie en beleid. In de zuil heerst een buitensporig hoge sociale controle, waardoor een hoge maatschappelijke moraal overeind wordt gehouden. Zo wordt Nederland bestuurd. En dat gaat heel goed. De prestaties komen boven het gemiddelde van een klein land. De politieke partij is maar een onderdeel van een reusachtige maatschappelijke machine.

Midden jaren zestig komen de eerste kleine barstjes. De elite-consumptie evolueert definitief tot massa-consumptie. De elite-informatie tot massa-informatie. In iedere huiskamer staat een tv. De wereld van de volwassenen wordt zichtbaar - aan elkaar en aan de kinderen. En wel de wereld van de hele wereld. De atoombom, de armoede, Vietnam. Thuis is de welvaart groter dan ooit en steeds meer voor iedereen. De tiener-economie is een nieuw fenomeen. Kinderen krijgen geld op zak. En geld is vrijheid. De vertrouwde structuren gaan knellen. Langzaam begint het zuilengebouw te kraken. De hiërarchieën zijn niet meer vanzelfsprekend. Aan de sociale controle begint iets te schorten. Het naoorlogse Nederland, als een kopie van het vooroorlogse wordt als muf ervaren. Gebrek aan bewegingsruimte. Provo komt, het gaat om de vrijheidsrechten, in feite gaat het om meer. Maar wat?

Eigenlijk nu pas kun je met enige stelligheid die vraag beantwoorden. Het blijkt nu dat we vijfentwintig jaar geleden aan het begin stonden van processen, die nu goeddeels hun beslag hebben gekregen - of op volle kracht bezig zijn. De ontideologisering van de politiek en de individualisering van de burger. Beide woorden bestonden nog niet. De ontideologisering begon met het besef toen, bij sommigen, dat de oude ideologieën tekortschoten in hun pretentie van werkzaam maatschappijmodel. We moesten ophouden met denken in gesloten modellen en die aan de kiezers als te verwezenlijken waarheden voorleggen. De maatschappij was daarvoor te complex geworden. In plaats daarvan zou je een wat praktischer houding moeten aannemen, waarin plaats is voor idealen en erkenning van de verschillende inspiraties die achter die ideologiëen waren schuilgegaan. Dat werd toen intuïtief gevoeld, niet wetend dat we aan het begin stonden van een proces van ontideologisering dat vijfentwintig jaar later niet alleen in Nederland, maar op wereldwijde schaal zijn beslag zou krijgen, het Westen z'n vijand zou afnemen en de poten onder het Westeuropese partijstelsel zou wegzagen.

Aan de kant van de burgerij begon ook vijfentwintig jaar geleden het proces van individualisering - ook dat woord bestond nog niet - aan een nieuwe fase. Het proces sloeg overal in Europa aan, maar had de spectaculairste effecten in ons land door de zuilenmaatschappij. Over individualisering wordt gesproken als iets nieuws, maar het proces is zo oud als de Europese beschavingsgeschiedenis, waarvan de essentie is dat de mens poogt zich onafhankelijk te maken van de groepen en machten boven hem. Van de Middeleeuwen tot nu toe. Bij de emancipatiebewegingen van de vorige en deze eeuw ging dat groepsgewijs. Daarop was onze zuilenstructuur gebaseerd. Wat we nu meemaken, is het laatste stadium van dat proces, dat is de verfijning tot het individu zelf.

De grondgedachte daarbij is dat niet het verband waarin iemand leeft - het gezin bijvoorbeeld - de hoeksteen is van de samenleving, maar dat het individu zelf de bouwsteen is en het echte gegeven als uitgangspunt voor gemeenschaps-handelen: de economische en culturele verzelfstandiging van het individu, dat vanuit die vanzelfsprekendheid zijn verbanden vrijwillig zoekt en aangaat. De vrouwenemancipatie is als groepsactie in de Westerse beschavingsgeschiedenis even vaak geprobeerd als uiteindelijk mislukt. De enige reden waarom zij nu een kans van slagen heeft is, dat zij drijft op de motor van het individualiseringsproces voor alle individuen - ongeacht het geslacht - en dus ook voor vrouwen.

In de politiek gaat het erom gestalte te geven aan die laatste fase van een heel oud proces, door de economische verzelfstandiging van het individu tot uitdrukking te brengen in sociale en belastingwetgeving. Op dat punt zijn er nog praktisch geen vorderingen gemaakt. Die moeten nog veroverd worden op de weerstanden van degenen die de illusie van de oude maatschappij willen ophouden.

De klassieke en solide typisch Nederlandse relatie tussen burger en politiek is in vijfentwintig jaar volledig op losse schroeven komen te staan door de ontideologisering van de kant van de politiek en de individualisering van de kant van de burger. Door het steeds ongeloofwaardiger worden van de maatschappijmodellen, terwijl de daarbij behorende partijen dezelfde blijven, is de burger/kiezer gedesoriënteerd. Door de individualisering is anderzijds de groep weggevallen, waardoor de politieke partij gedesoriënteerd is. De politieke partij heeft zich in ons land, zowel als in West-Europa, altijd gewend tot een herkenbare groep. Als die verkorrelt, heeft de politieke partij een groot probleem met de adressering van de boodschap. Daarom zijn bijna alle Westeuropese partijen in de problemen gekomen en vooral de sociaal-democratische, die het meest uitgesproken van alle bestaan bij de gratie van de groep, de onderlinge solidariteit en het schouder-aan-schouder-gevoel.

Veroudering kun je niet tegenhouden, vernieuwing wel. De vertrouwde infrastructuur tussen burger en politiek is zwaar beschadigd. De zuilenmaatschappij is ingestort, althans voor de mensen. En er is niets voor in de plaats gekomen. Terwijl de burgers er allang uit verdwenen zijn, houden de politici evenwel de illusie van het oude overeind, niet uit overtuiging, maar uit angst positie te verliezen en een gevestigd belang kwetsbaar te maken. Dat geldt voor de machtsstructuren van de formele democratie (regering - parlement - politieke partijen, ambtelijk apparaat), als van het middenveld (vakbonden - werkgevers - omroepen - onderwijskoepels - gezondheidzorgorganisaties). Voor beide soorten machtsstructuren geldt dat hun zelfreinigend vermogen gering is, dat ze het niet opbrengen zichzelf te vernieuwen, daardoor aan bestuurskracht inboeten en aan legitimiteit.

De verantwoordelijkheid voor deze impasse drukt het zwaarst op de formele democratie. Met het wegvallen van het zuilenstelsel is het integrale verband verdampt en is een grote leegte ontstaan tussen het circuit van de gekozenen en de regering enerzijds en de burgers anderzijds. En de staatsrechtelijke vernieuwing die nodig is, komt dan neer op het aanbrengen van meer directe verbanden tussen burgers en overheid (in de meest ruime zin).

Eerder was dat niet nodig. Je woonde immers allemaal, kiezers en politici, bij elkaar in die ene zuil en één keer in de vier jaar moest je bij verkiezingen laten zien hoe dik die was en dan zorgde de zuil, oftewel de regenten daarvan en het establishment erin, wel voor de rest. Als kiezer kwam je er verder niet aan te pas. En dat hoefde ook niet, want het werkte prima. Maar als dat wegvalt is die ene verkiezing voor die plotseling onbehuisd geworden burger niet meer voldoende om zich nog verbonden te voelen met zijn overheid, zijn regering, parlement, gemeentebestuur.

Kortom, dan moeten er meer aangrijpingsmomenten komen. En daarbij kun je denken aan: een persoonlijker kiesstelsel voor de Kamer, een direct gekozen minister-president, een gekozen burgemeester, een referendum, allemaal rechtstreekser verbindingen tussen kiezers en macht, die een blijvende ontkoppeling tussen het politieke circuit en de burgerij kunnen helpen voorkomen.

Het is bizar dat je na vijfentwintig jaar tot dezelfde analyses komt en min of meer tot dezelfde antwoorden, maar het is ook logisch. Het krakende zuilenstelsel is nu volledig ingestort. De ontideologisering is volledig geworden en de individualisering als idee bij de burger is veel indringender gegaan dan we dachten. De tijd heeft een vermoeden tot evidentie verheven, maar de structuren zijn bij al die ontwikkelingen achtergebleven en er is nu zoveel zichtbaar vastgelopen dat de noodzaak om tot vernieuwing van onze systemen te komen in ieder geval voor veel meer mensen zichtbaar is geworden.

Ik begrijp ook absoluut niet hoe de fractievoorzitter van het CDA, mijn collega Brinkman, de geschiedenis als het ware wil "verneinen' en vorige week nog tegenover hoofdredacteuren straffeloos kon zeggen dat de laatste restanten van de jaren zestig worden opgeruimd. Wat zou hij toch kunnen bedoelen, terwijl al de hoofdthema's van die tijd, waar zijn eigen groepering zich met zoveel kracht tegen verzette, op een enkele uitzondering na maatschappelijke werkelijkheid zijn geworden? Ik noem de openheid, de emancipatie van de vrouwen, de individualisering, de ont-ideologisering. Misschien laat hij zich misleiden door de ogenschijnlijke betekenis van de nest-geur-kleur-en-warmte op de CDA-bijeenkomsten van zijn partij en ziet hij die aan voor vitale tekenen van het ongelijk van de geschiedenis. (...)

Voor de doorsnee burger is het niet eenvoudig een hoge pet van de overheid op te hebben. Het respect dat in de zuil vanzelf sprak - niet geheel zonder de zachte maar onverbiddelijke drang van de sociale controle - is hem ontvallen. Zijn weg naar de formele overheid leerde hij gaan via de groep. En de groep is grotendeels weg. Hij ziet een overheid voornamelijk via de tegenvallers en de fiasco's, die hem door de media worden overgebracht. De zegeningen vallen hem niet op. Op een aantal essentiële punten voelt hij zich zelfs als invididu bedreigd door het tekortschieten van de overheid. Op het gebied van de criminaliteit en de rechtshandhaving en ook op het gebied van het milieu.

Het wereldnieuws verschaft hem soortgelijke beelden van andere overheden, in andere landen, die net zo min - of vaak nog minder - greep op de ontwikkelingen blijken te hebben.

Dat werkt niet ontlastend voor zijn eigen vrijheid, maar versterkend voor het negatieve beeld van "overheid'. Het tast zijn geloof in de publieke zaak aan, in de politiek. En als hij zich dan realiseert in welke mate hij als kiezer mede-verantwoordelijkheid draagt voor het syndroom van de politiek en hoe gering zijn formele verbindingen zijn met dat circuit en zijn invloed daarop, dan is het niet zo onbegrijpelijk dat hij mentaal loskoppelt, ook al blijft hij vooralsnog stemmen en zijn keuze maken. Het is twijfelachtig of hij op het moment dat hij stemt het gevoel heeft iets belangrijks te doen voor zijn eigen lot. Een paar jaar geleden wees een onderzoek uit dat plusminus dertig procent van de mensen die gingen stemmen er diep van overtuigd was dat het er absoluut niet toe deed op welke partij je stemde. Dat is een significanter oordeel over de stand van zaken dan het opkomstpercentage.

Voor de politiek/de overheid is het ook buitengewoon moeilijk geworden de burger te enthousiasmeren. Er heeft immers sinds de jaren zeventig een wezenlijke verschuiving plaatsgevonden in de lading van de politieke boodschap. Het gevecht om de vooruitgang heeft plaatsgemaakt voor het gevecht om behoud of om herwinning van verloren terrein. Behoud van koopkracht, behoud van zekerheid, behoud van natuur, behoud van veiligheid, behoud van normen en waarden, of terugwinning van dat alles.

In plaats van wat in de natuurkunde een impuls wordt genoemd, de resultante in versnelling en richting, hebben de aanslagen op het bestaande de regie overgenomen in het catanaccio-gevecht dat we, teruggetrokken in de defensie, leveren tegen de voldongen feiten die de samenleving presenteert en de onvoldongen die eraan komen: de groei van het aantal inactieven, de vergrijzing, de kostenstijging in de gezondheidszorg. En vaak komen we emotioneel tekort omdat we niet anders kunnen - of menen niet anders te kunnen - dan mondjesmaat partij te geven: de Balkan in oorlog: vijfhonderd ontheemden en een paar soldaten; Oost-Europa in puin: 120 miljoen.

We zijn in onze uitdagingen onwaarschijnlijk defensief geworden en emotioneel doet dat een heel ander soort appel op de betrokkenheid van de burgers dan het onwaarschijnlijke vooruitgangsgeloof dat we eerder hadden. Een vooruitgangsgeloof overigens dat op een gevoelige manier zijn uitgestelde rekeningen presenteert, zowel van de uitbouw van de verzorgingsstaat als van de roofbouw op het milieu.

Het is vooral die tegenstelling met vroeger, die ontgoochelend werkt op de burger en zijn betrokkenheid bij de collectieve sector uitholt.

De overheid van haar kant ervaart de samenleving als steeds moeilijker doordringbaar. Deze heeft zich vanuit het privé domein vaak hecht georganiseerd in veel complexe verbanden. De overheid ziet de burgers als calculerende individuen, gericht op eigenbelang en steeds moeilijker aanspreekbaar op collectieve verantwoordelijkheden. Ter verontschuldiging voor de onmacht om greep op de ontwikkelingen te krijgen, worden nieuwe theoretische concepties bedacht als de terugtredende overheid, de zorgzame samenleving, die vanwege de doorzichtige bedoeling geen lang leven beschoren zijn.

Zo staren burgerij en overheid elkaar aan in een soort collectieve verlamming, waarin geen uitwisseling meer plaatsheeft en iedere tegenslag verder beeldversterkend over elkaar werkt.

Om die verlamming te doorbreken roepen sommige politici op tot een ethisch reveil. Zij verwijten de burgers gebrek aan burgerzin en vervagend normbesef. Veelal uit dezelfde hoek klinkt het verzet tegen de individualisering met als argument dat dit het egoïsme bevordert en de solidariteit aantast. Collega Brinkman is hiervan een exponent. Ik maak een onderscheid tussen hem en Hirsch Ballin, die veel minder de zedenmeester uithangt.

Ik geloof niets van dat egoïsme en van die aantasting van solidariteit. Ik zie er ook niets van - ik zie wel een toenemende onverschilligheid en een egoïsme, dat er overigens altijd geweest is - maar dat heeft niets te maken met het individualiseringsproces. Dat heeft andere oorzaken, waar ik het al over heb gehad.

Is het niet eerder andersom? Stimuleer je het egoïsme niet veel sterker door niet uit te gaan van het individu, maar van het verband waarin hij leeft? Is de richting van het verlangen niet vaak omgekeerd aan de situatie, waarin men verkeert? Ontstaat in het verband niet het verlangen naar het ego, en vanuit het ego het verlangen naar het verband? Ik denk ook dat er in het gedragspatroon van jongeren weinig aanleiding is voor het signaleren van meer egoïsme dan vroeger of dan bij ouderen. Integendeel.

Ik draai het dus om en zeg dat één van de redenen, waarom de binding tussen de burger en de publieke zaak kleiner en kleiner wordt, waardoor onverschilligheid wordt aangewakkerd en de "Ieder voor zich en God voor ons allen'-houding toeneemt, juist ligt in het feit dat te lang en te krampachtig wordt vastgehouden aan de illusies van een oude maatschappij en te weinig ruimte wordt gemaakt voor die verzelfstandiging van het individu, terwijl de behoefte daaraan alleen maar toeneemt.

Ethisch reveil en de verwijten van vervagende normen en waarden zijn periodiek terugkerende noodkreten van politici. Daarom zijn ze nog niet onwaar, maar de vraag is hoe relevant de constatering is, hoe effectief die moraliserende toon en hoe gezaghebbend de oproep. Politici hebben niet alleen het recht, maar zelfs de opdracht om zich te bekommeren om normen en waarden. Maar ze worden in de eerste plaats geacht die te investeren in hun eigen produkt: de overheid en het beleid. De geloofwaardigheid van de boodschap neemt zoveel toe wanneer de boodschapper erop getoetst kan worden. En hoe vaak laat de overheid het zelf niet afweten op dit punt, bijvoorbeeld op het zuiver omspringen met begrotingsgelden, vergunningen of zorgvuldigheid in het eigen gedrag. Te vaak wordt vergeten hoe desastreus het slechte voorbeeld van de autoriteit uitwerkt op de burger.

De moraliserende toon is ineffectief, omdat deze voorbijgaat aan de werkelijke aard van het vraagstuk: de burgers keren zich niet af van het collectieve uit overtuiging of verwording. Als dat waar zou zijn, zouden we het publieke domein voorgoed kunnen vergeten en zou trouwens een oproep tot ethisch reveil nog vergeefs opklinken ook. Nee, de burgers verliezen hun belangstelling voor het collectieve, omdat ze zich niet meer herkennen in het publieke, omdat ze hun eigen belang niet meer herkennen in het collectieve. Althans te weinig, althans steeds minder. En als we met de geïndividualiseerde burger, die mogelijkerwijs rationeler en wellicht berekender is geworden, maar net zo goed toegerust is met idealen en creatieve denkbeelden, overgaan tot de herdefiniëring van collectieve doelstellingen, dan doen we er beter aan vaker uit te leggen waar in het collectieve ook het eigen belang ligt, in plaats van alleen maar te verwijzen naar discipline en het imperatief van de moraal. Het voorkomt ook dat het beroep op zelfverloochening, wanneer dat echt aan de orde is, niet voortijdig versleten is.

Te vaak vergeten we dat eigenbelang en moraal, oorspronkelijk in elkaars verlengde liggen. Dat onder de "Tien geboden' de rationale ligt van de ordening van een maatschappij waar we een hoogstpersoonlijk belang bij hebben: ik zal niet doden, omdat ik niet gedood wil worden; ik zal niet stelen, omdat ik niet bestolen wil worden; ik zal niet liegen, omdat ik niet bedrogen wil worden. En wie beter kan ik hierbij aanroepen dan Coornhert, die al meer dan vierhonderd jaar geleden sprak van een “Rechtvaardicheyd totten menschen, die nodigh is ende nut”.

Het persoonlijk nut, ontleend aan het algemeen nut. Het eigenbelang in het leven volgens de wet, in het niet frauderen met uitkeringen, in het brengen van offers voor de derde wereld, in het respecteren van de regels van de rechtsstaat, ook voor de verdachte, het eigenbelang in het verlangen naar een evenwichtige en proportionele benadering van het illegalenvraagstuk, het eigenbelang in het verlangen naar bijzondere inspanningen om allochtonen aan het werk te krijgen. Het eigenbelang zichtbaar maken kan veel misleidend populisme voorkomen, of helpen voorkomen dat het aanspreekt. In de meeste ruime zin: het is ook een eigenbelang om in een gemeenschap te leven, waarin men zich bekommert om het lot van een ander. In feite gaat het om dezelfde idealen van vroeger, waarbij alleen de nadruk op de "verhevenheid' ervan is vervangen door die op de "worteling' in Coornherts Nut. Een accentverlegging, van boven naar beneden.

Met de herkenning van het eigenbelang in het bonum commune correspondeert de erkenning van het eigen aandeel daarin. Het eigenbelang aantonen bij de collectieve beheersing van het milieuvraagstuk is betrekkelijk eenvoudig, maar het erkennen van het eigen aandeel in die gigantische optelsom van individuele gedragingen, die samen het milieuvraagstuk vormen, is heel wat moeilijker. En toch ben ik er van overtuigd dat de ruimte voor die herkenning van eigen belang en aandeel veel groter is dan door de politiek en de overheid wordt geëxploiteerd. Maar wat moet je aan met een oproep van de regering om minder op kolen te stoken, terwijl zij zelf tegelijkertijd een kolengestookte centrale laat neerzetten?

Er zijn een paar dingen die moeten gebeuren om de collectieve verlamming te doorbreken. In de eerste plaats moeten we in openbaar debat, tot een herdefiniëring komen van collectieve doelstellingen, maar dan op basis van de werkelijkheid van vandaag. En die werkelijkheid is een multiraciale, multiculturele gemeenschap van geïndividualiseerde burgers in een staatsverband dat zelf op drift is, dat decentraliseert naar lagere en internationaliseert naar hogere overheden in processen, die nog volstrekt onzeker zijn wat hun uitkomst betreft. Van die nieuwe collectieve doelstellingen zijn er een paar die direct het herstel van de relatie burger-politiek raken. Dat zijn: de rechtshandhaving, het milieu en de herinrichting van onze belasting-en sociale wetgeving op basis van de economische en sociale verzelfstandiging van de burgers.

Het imago van het publieke domein wordt niet bepaald door een politieke overheid die stuurt, ook niet door een ambtelijke overheid die uitvoert, maar door een ondoorzichtige verstrengeling van beide die resulteert in een bureaucratisering van alle overheidshandelen, dat daardoor ondoordringbaar, emotieloos en ongrijpbaar is geworden, niet alleen voor de burgers, maar voor iedereen, ook voor de ambtenaren en politici zelf, die erin zitten. Door de ontmenselijking en anonimiteit van het publieke domein verliest het z'n gezag, z'n overtuiging en zijn slagkracht. Verantwoordelijkheden voor wat er precies gebeurt, worden onzichtbaar in een brij van ondoorgrondelijke processen. De ontstrengeling van de politieke en de ambtelijke wereld en het wederom helder maken van de verantwoordelijkheden in beide werelden, is één van de belangrijkste voorwaarden om de relatie tussen burger en politiek weer te herstellen. Dat is ook een belangrijk onderdeel van het onderzoek dat verricht wordt naar de bestuurlijke vernieuwingen in het kader van de Commissie-Deetman.

Maar de beslissende vraag die mijns inziens in belang boven alles uitgaat, is of de politici in staat zijn de staatsrechtelijke ruimte waarin zij hun macht uitoefenen opnieuw in te richten en wel zo dat de burgers daar meer vat op krijgen. Dat onderdeel van het onderzoek van de Commissie-Deetman stuit op de stugste weerstand in de Kamer. Het zijn 225 Kamerleden die exclusief de macht hebben om onze democratie weer nieuw leven in te blazen, door de kiezers daar meer in te betrekken, door hen op één of andere manier een directe band te geven met de regering, door hun een veel persoonlijker band te geven met degenen die hen vertegenwoordigen. De echtheid van die relaties en een directe legitimatie van het overheidsgezag zullen de echte impulsen opleveren voor het opnieuw integreren van burgerij en overheid. Maar dan moeten wij parlementariërs bereid zijn onze ongehoord grote en vrije ruimte voor het uitoefenen van macht, een klein beetje in te perken ten gunste van de kiezers. Dan moeten de politieke partijen bereid zijn iets van hun buitensporig dominante invloed prijs te geven ten gunste van de kiezers. Van een partijdemocratie naar een kiezersdemocratie. Maar dan zou de politiek een groot genereus gebaar moeten maken naar de burgerij ten koste van zichzelf.

Dat is nog nooit gebeurd. Kon ik daar het eigen belang maar van aantonen.