Commissie dienstplicht legt het werk neer

DEN HAAG, 21 NOV. De commissie-Meijer, die minister Ter Beek (defensie) heeft geadviseerd de dienstplicht te handhaven, heft zichzelf op. Omdat het kabinet besloten heeft de dienstplicht in 1998 af te schaffen, heeft het geen zin meer vervolgopdrachten uit te voeren die uitgaan van handhaving van de dienstplicht.

“Het is logisch dat de commissie ophoudt nu de besluitvorming in een andere richting gaat en haaks staat op wat wij hebben geadviseerd”, aldus L.V. Mazel, secretaris van de commissie militaire dienstplicht. “Als de dienstplicht wordt opgeheven, hoeft er ook niet meer geadviseerd te worden over een situatie waarin je nog van dienstplicht uitgaat.” Mazel wil niet beweren dat de commissie lijdt onder “diepe frustratie en ellende, maar geen enkele commissie vindt het prettig als haar advies niet wordt opgevolgd.”

De commissie dienstplicht onder leiding van de commissaris van de koningin in Drenthe, W. Meijer (PvdA), adviseerde eind september de dienstplicht te laten voortbestaan maar deze te verkorten van 14 tot negen maanden.

Deze week werd duidelijk dat het kabinet na een overgangsperiode van ongeveer vijf jaar geen dienstplichtigen meer wil oproepen en wenst over te schakelen op een beroepsleger. Formeel wordt alleen de opkomstplicht afgeschaft en blijft de dienstplicht gehandhaafd, maar deze krijgt een slapend bestaan.

Nu voor in feite afschaffing van de dienstplicht is gekozen, heeft het geen zin meer om de commissie te laten adviseren over vrijstellingsgronden bij het daadwerkelijk instandhouden van dienstplicht en het probleem van de dienstweigeraars, zegt Mazel. “We constateren nuchter dat onze taak beëindigd gaat worden.” De minister krijgt volgende week een “kort briefje” van Meijer, waarin het staken van de advisering wordt toegelicht. “Verder laten we het aan de minister over”, aldus Mazel. Hij verwacht niet dat Ter Beek de commissie zal vragen alsnog te adviseren.

In een gisteren uitgegeven persbericht zegt de commissie-dienstplicht het “te respecteren dat op grond van politieke beslissingen met name ten aanzien van de Koninklijke Landmacht een aanzienlijke reductie wordt nagestreefd. Daarbij dringt zich evenwel het beeld op dat de omvang van de Koninklijke Landmacht én de personele vulling en samenstelling daarvan de rol van sluitpost vervullen bij een krimpend defensiebudget en een onvoorspelbare arbeidsmarkt. De commissie heeft een dergelijke ontwikkeling onderkend en mede op grond daarvan andere conlusies getrokken.”

De regering gaat inmiddels uit van een ander type krijgmacht dan aangegeven in de werkopdracht zoals die in juni door minister Ter Beek aan de commissie is verstrekt. In de huidige "afschaffingsvariant' noemt Ter Beek een oorlogssterkte van de landmacht van 60.000 man. In juni schetste de minister een oorlogssituatie met een personele omvang van 94.000 personen.