ATLANTIS WAS TROJE, EN ANDERE MISVERSTANDEN

The Flood from Heaven. Deciphering the Atlantis Legend door Eberhard Zangger 256 blz., geïll., Sidgwick & Jackson Ltd 1992, f 66,35 ISBN 0 283 06084 0

Ruim elfduizend jaar geleden lag ""voorbij de Zuilen van Herakles'' het machtige eiland Atlantis, dat ""groter was dan Libië en Azië samen''. Aan het hoofd stonden een koning en negen onderkoningen, die een autoritair, maar rechtvaardig bestuur voerden. De Atlantiërs, nakomelingen van Atlas, waren machtig en welvarend geworden door handel en de rijke opbrengsten van hun vruchtbare land. Lange tijd waren zij nobel van inborst, maar op een gegeven ogenblik tastte de hang naar nog meer welvaart hun spreekwoordelijke deugdzaamheid aan.

Het kwam zelfs zo ver dat de Atlantiërs een expeditie organiseerden om Griekenland, Egypte en de andere landen rond de Middellandse Zee te onderwerpen. Verrassenderwijs versloegen de Atheners de grote legermacht en voorkwamen zo dat Europa en Azië onder het juk van Atlantische slavernij moesten zuchten. Korte tijd later werd zowel Athene als Atlantis door aardbevingen en vloedgolven verwoest. Athene werd bedolven door de aarde en Atlantis werd verzwolgen door de zee.

Dit is in het kort het verhaal over Atlantis zoals dat te lezen is bij de Griekse filosoof Plato (427-348 v. Chr.), de enige bron die we hebben over het eiland. Hij beschrijft hoe priesters in het Egyptische Sas het verhaal over Atlantis aan de Atheense wetgever Solon (640-560 v. Chr.) vertelden toen die daar op bezoek was. Plato noemt Atlantis in de dialogen Timaeus en Critias, die deel uitmaken van een trilogie waaraan hij rond 360 voor Christus was begonnen, maar die hij niet heeft afgemaakt. De Timaeus beschrijft de geschiedenis van de aarde, de Critias de oudste geschiedenis van Griekenland en de Hermocrates zou de geschiedenis van de toenmalige Griekse wereld hebben moeten behandelen. Plato is aan dat laatste deel nooit toegekomen, want ergens in de Critias is hij met zijn drieluik gestopt.

Sinds lang wordt geredekaveld over de vraag of Plato een waar gebeurde geschiedenis heeft verteld, of dat hij met het relaas over Atlantis een mythe opdiste, danwel zijn fantasie gebruikte en een eigen wereld creëerde. De meeste geleerden, met name filologen, gaan ervan uit dat Plato het verhaal verzonnen heeft, al is het maar om de doodeenvoudige reden dat er elfduizend jaar voor zijn tijd nog geen Atheense beschaving bestond. En zeker niet een beschaving voorbij de Straat van Gibraltar, die in de oudheid werd aangeduid met de ""Zuilen van Herakles''.

IDEALE STAAT

De Franse oud-historicus Pierre Vidal-Naquet heeft al in 1964 gewezen op de overeenkomsten tussen het Athene uit het Atlantisverhaal en Plato's ideale staat zoals hij die beschrijft in De republiek. In beide gevallen staat de geschetste samenleving niet bloot aan invloeden van buitenaf en dus aan veranderingen, en in beide gevallen zijn alle bevolkingsgroepen strikt van elkaar gescheiden en is er sprake van een sterke hiërarchie.

Atlantis speelt dan de rol van de tegenpool van die ideale maatschappij. Het is gericht op handel, uitbreiding van macht en het verkrijgen van rijkdom, en ondergaat daardoor allerlei (noodlottige) veranderingen. Hierin lijkt het sterk op het Athene uit Plato's tijd, dat onder meer door de catastrofale militaire expeditie naar Sicilië in 415-413 v. Chr. merkte waartoe vergaande ambities kunnen leiden.

Deze verklaring is plausibel en wetenschappelijk verantwoord. Hij laat nog wel enkele vragen open, zoals waarom Plato midden in de trilogie is gestopt. Maar het is in dergelijke gevallen nog altijd beter het antwoord voorlopig schuldig te blijven dan coûte que coûte met allerlei oplossingen te komen. Daar hebben de mensen die ervan overtuigd zijn dat Atlantis werkelijk heeft bestaan een handje van. Hun theorieën hebben er voor gezorgd dat het onderwerp bijna niet meer serieus te nemen is. Naast speurders die het eiland identificeren als Amerika, Groenland, Engeland, ofwel een geheim continent, zijn er ook die beweren dat Atlantis in de ruimte gelokaliseerd moet worden, of dat het vernietigd is door een komeet die later de planeet Venus werd. Weer anderen zoeken het in de buurt van Noorwegen, omdat daar de lemmingen collectief zelfmoord plegen. Deze dieren zouden zich massaal in zee storten omdat zij oorspronkelijk uit Atlantis afkomstig zouden zijn en steeds op zoek gaan naar hun verloren thuisland.

De Duitse geleerde Eberhard Zangger brengt in The Flood From Heaven een nieuwe theorie naar voren. Hij is geo-archeoloog en bestudeert de relaties tussen geomorfologische processen en menselijke geschiedenis. Zijn boek is echter geen pleidooi voor het gebruik van geo-archeologische methoden bij het oplossen van raadsels als dat van Atlantis. In het geval van Zangger heeft zijn onderzoek slechts de kettingreactie in gang gezet waardoor hij tot zijn nieuwe hypothese over het verzonken eiland is gekomen.

MYCEENSE BESCHAVING

Na onderzoek bij de Griekse bronstijd burcht Tiryns in de vlakte van Argos kwam Zangger tot de conclusie dat daar tussen 1300 en 1200 voor Christus zowel een aardbeving als een overstroming is geweest. Tegelijkertijd bedacht hij dat rond die tijd ook de Myceense beschaving, die haar centrum in het nabijgelegen Mycene had, ten onder is gegaan. Maar hij besefte ook dat natuurrampen alleen niet voldoende zijn om een complete beschaving van de aardbodem te laten verdwijnen. Toen schoot hem te binnen dat kort voor de ondergang van de Myceense beschaving de Trojaanse oorlog gevoerd zou zijn en dat de verhalen over Agamemnon en Odysseus in de Ilias erop wijzen dat hun jarenlange afwezigheid onderlinge strijd in hun koninkrijken tot gevolg had. Plots viel nu alles op zijn plaats voor Zangger: ook in Atlantis was immers sprake van strijd tussen twee hoogstaande beschavingen en van hun beider ondergang!

In The Flood from Heaven durft de Duitse geo-archeoloog nu te betogen dat het Atlantisverhaal niets anders is dan het verhaal van de Trojaanse oorlog en de ondergang van de Myceense beschaving gezien vanuit Egyptisch perspectief. Hiermee beweert hij dus in één klap dat Plato niets verzonnen heeft, maar een authentiek gesprek tussen Solon en de Egyptische priesters heeft weergegeven, dat Atlantis Troje is, dat de Trojaanse oorlog inderdaad heeft plaatsgevonden en dat de Myceense beschaving mede ten onder is gegaan door een aardbeving en een overstroming. Het zijn niet de minste vraagstukken die Zangger zegt op te lossen.

Voor het feit dat de datering en de ligging van Atlantis op het eerste gezicht een identificatie met Troje volledig uitsluiten, heeft de Duitser een ingenieuze oplossing gevonden. Volgens hem sprak de Egyptische priester over "maanjaren' (en niet gewone "zonnejaren') toen hij zei dat alles zich negenduizend jaar voor zijn conversatie met Solon had afgespeeld. Verder wijst hij erop dat de Romeinse schrijver Servius opmerkt dat ""de Zuilen van Herakles'' vroeger ook is gebruikt als benaming voor de Dardanellen, de zeeëngte in de buurt van Troje die toegang tot de Zwarte Zee verschaft. Helemaal mooi is Zanggers verklaring voor het feit dat Plato zijn werk niet heeft afgemaakt: de wijsgeer zou plotseling hebben beseft dat hij bezig was het verhaal van de Trojaanse oorlog te vertellen. Maar dat had Homerus al voor hem gedaan.

OPRECHT ENTHOUSIAST

Zangger toont zich in dit boek oprecht enthousiast over zijn eigen theorie. Helaas verhinderen twee tegenwerpingen dat hier sprake is van een wetenschappelijke doorbraak. Ten eerste speelt Plato als de filosoof die zijn gedachten heeft laten gaan over hoe de ideale staat eruit zou moeten zien geen enkele rol van betekenis in Zanggers theorie. Hij wil in de beschrijvingen van Athene en Atlantis alleen maar overeenkomsten zien met beschavingen uit de Late Bronstijd.

Ten tweede maakt hij via een omweg dezelfde fout die Schliemann, Goekoop en Wilkens hebben gemaakt met hun speurtochten naar de werkelijkheid van de Homerische overlevering. Zangger zegt weliswaar dat hij niet bij Troje is uitgekomen door de tekst van het Atlantis-verhaal op allerlei quasi-exacteplaatsaanduidingen na te pluizen, maar uiteindelijk valt hij toch in die kuil, wanneer hij opmerkt dat Plato het verhaal onmogelijk verzonnen kan hebben, ""omdat hij alles zo gedetailleerd weergeeft''.

Het punt is dat Plato wel degelijk in staat was van alles en nog wat te verzinnen, net als Homerus en allerhande andere Griekse schrijvers voor en na hem. Natuurlijk verwerkte Plato ook dingen uit de werkelijkheid om hem heen. In het Atlantisverhaal wordt bijvoorbeeld verteld dat op de akropolis aldaar een rijkversierde tempel stond met daarin een reusachtig beeld. Zangger zegt daarover dat er in Troje geen spoor van een dergelijk beeld is gevonden, maar dat het enorme beeld van de godin Athene in het Parthenon aannemelijk maakt dat er zoiets ook op Atlantis is geweest. Dat had een belletje bij hem moeten doen rinkelen.