Schoolvriendin

Het was op zo'n snikhete zondagmiddag zoals er deze zomer zovele waren. Verpletterd door de hitte liep ik hand in hand met mijn zesjarige zoon door het Vondelpark, een beetje gehaast om op tijd te komen voor de balletuitvoering van zijn vijfjarige vriendin, toen ik plotseling mijn naam hoorde roepen. Op een bankje zaten twee haveloze mensen, een man en een vrouw, en het was de vrouw die me riep, aarzelend maar toch zeker van haar zaak. Ik was achteloos voorbijgelopen, maar herkende haar opeens door alle haveloosheid heen: mijn oude schoolvriendin.

Ik had haar jaren niet gezien, had wel gehoord dat het niet goed met haar ging, maar daarbij had ik toch iets anders voor ogen gehad. Ze was gekleed in rare lompen, had bruine tanden, flarderig haar, maar haar ogen waren hetzelfde gebleven: aardig, aarzelend en zeer doordringend. Ik schrok, wist dit kennelijk niet afdoende te verbergen, want ze zei, geruststellend, dat het niet slecht met haar ging. Ze had geen huis meer, woonde in een tent op het oude WG-terrein, maar leefde zoals ze wilde. Hoe ging het met mij, was dat mijn zoon? En hoe was het met mijn ouders?

Die laatste zin greep me het meest aan, ik denk omdat het me met een harde klap terugbracht naar vroeger, toen we samen kampeerden en veel lange en ernstige gesprekken over het leven voerden. We liepen in mijn herinnering vaak zondagmiddag langs de Amstel, we lazen Van het Reve, Sartre en Anna Blaman, en ze zei me een keer aarzelend dat ze wel eens bang was van de verkeerde kant te zijn. Ik begreep dat niet goed, dacht dat ze bedoelde dat ze zichzelf vaak als van buitenaf zag lopen; dat overkwam mij ook dikwijls, een beetje beangstigend was dat wel maar niemand merkte het verder. Zo was onze band: intens, een beetje geheimzinnig en op een onverklaarbare manier een beetje droevig.

We deden allebei eindexamen, ik alpha, zij bèta want zij had een heel goed verstand. Ze ging medicijnen studeren, ik sociologie, maar dat was niet de reden dat we elkaar uit het oog verloren. Ik was opeens getrouwd, met iemand die een stuk ouder was. Ik moest af en toe behoorlijk op mijn tenen lopen, maar dat lukte niet goed als de in leeftijd sterk verschillende vriendenkringen door elkaar gingen lopen. Ik scheidde dus mijn werelden, had een leven thuis en een daarbuiten, en daar viel op zichzelf goed mee te leven. Maar toch verdwenen mijn eigen vrienden naar de achtergrond, en ik was bang dat zeker mijn schoolvriendin het eigenlijk ook maar een beetje raar vond dat ik zo jong getrouwd was.

Nu zag ik haar weer, vele fasen verder, maar terug in de tijd van onze saamhorigheid. Waar en waarom was het zo uit elkaar gaan lopen? Wat was er allemaal met haar gebeurd, wat was er misgegaan, en hoe mis was dat eigenlijk als ze zelf zei dat het goed met haar ging? Als ik me vasthield aan dat laatste, deed ik dat dan om mijn geweten te sussen, of gaf dat juist blijk van een weinig vooringenomen standpunt over hoe te leven en hoe gelukkig te worden? Maar het ging niet goed met haar, dat was duidelijk. Had ik haar in de steek gelaten, zelf vrij snel geborgen in een druk bestaan van studie en huwelijk, werk en vrienden? Had ik iets aan haar kunnen doen, of bezag zij mij omgekeerd met even bevreemde ogen. Ik heb me in elk geval zelden zo netjes en gevestigd gevoeld, met man, huis, kinderen, auto en carrière, en zelden zo verlegen daarover.

Maar veel tijd voor mijmeren had ik niet. Daar zat zij en vroeg me dingen, en daar trok mijn zoon: we moesten toch opschieten, ik stond altijd te kletsen, en ik liet me meetrekken.