Op een keer 26

Ik ben ongelukkig, dacht de schildpad op een ochtend. Verbaasd trok hij zijn hoofd onder zijn schild en dacht: hoe kom ik dáár nou bij? Ben ik ongelukkig? Ik ben helemaal niet ongelukkig. Volgens mij ben ik juist heel gelukkig.

Maar toen hij dat dacht voelde hij iets in zich knagen. Hij wist dat dat de twijfel was. Het is nog maar de vraag, dacht hij, of ik gelukkig ben.

Hij stak zijn hoofd weer naar buiten en wou dat hij ergens anders aan dacht. Maar er was niets aan te doen. Het ene moment dacht hij dat hij heel gelukkig was, en het andere moment dat hij diep en diep ongelukkig was.

Zo dacht hij uren verder, terwijl hij zijn hoofd schudde over zichzelf of langdurig knikte.

Tegen het eind van de ochtend wandelde de boktor langs de struik waaronder de schildpad zat.

"Hallo boktor', zei de schildpad.

"Hallo schildpad', zei de boktor en bleef staan.

"Eh... boktor', zei de schildpad voorzichtig, "denk jij dat ik gelukkig ben?'

"Tja', zei de boktor. Hij liep twee keer om de schildpad heen en vroeg hem om op zijn rug te gaan liggen en met zijn benen te spartelen. Vervolgens tilde hij hem op en hield hem hoog boven zijn hoofd in de richting van de zon. Hij kneep zijn ogen half dicht en dacht diep na. De schildpad hield zijn adem in.

Toen zette de boktor hem weer neer en zei:

"Een beetje gelukkig. Je bent een beetje gelukkig.'

"O', zei de schildpad. "En ongelukkig?'

"Dat ben je ook een beetje. Ongeveer evenveel.'

De schildpad wilde hem nog iets vragen, maar de boktor zei:

"Nee, nee. Ik heb haast. Dag.' En hij holde weg.

De schildpad zat voor zijn struik en dacht de hele middag na. Ik ben dus van allebei een beetje. Hoeveel is een beetje eigenlijk?

Hij wist wel dat hij soms een beetje honger had, of het een beetje warm had. Tamelijk warm. Zou tamelijk hetzelfde zijn als een beetje? vroeg hij zich af. En hij dacht aan verlepte paardebloemen en oude berkebladeren die hij een beetje lekker vond, maar ook een beetje bitter.

Toen de zon onderging deed hij zijn ogen dicht, trok zijn hoofd onder zijn schild, kroop een stukje achteruit en viel in slaap.

Die nacht droomde hij dat hij een wolk was, een inktzwarte wolk, en dat hij regende. Maar hij regende niet zacht of vriendelijk, maar hard en striemend. Op de grond zag hij de olifant die met grote ogen omhoog keek en riep:

"Zo hard heeft het nog nooit geregend!'

De schildpad regende door tot er niets meer van hem over was. Toen werd hij wakker.

De zon kwam op. De lucht was blauw. En tot zijn geluk dacht de schildpad er niet meer aan of hij gelukkig was of ongelukkig, en hoe gelukkig en ongelukkig.

Hij stapte onder zijn struik vandaan en begon zijn schild te poetsen met een uitvinding die hij op zijn verjaardag van de krekel had gekregen en die bestond uit een tak, een borstel en een scharnier.

Nu glim ik, dacht hij even later. Hij wist dat bijna zeker. Stralend klom de zon boven het bos uit. De schildpad begon te wandelen. In de verte zag hij een boterbloem die hij nog voor de avond wilde bereiken.