Mijn spel past in grafelijke zalen; De idolen en leermeesters van cellist Pieter Wispelwey

“Voor mij is het invechten en hij is het establishment”, zegt de cellist Pieter Wispelwey over zijn leermeester Anner Bijlsma, die hij al acht jaar niet heeft gezien. “We verschillen als water en vuur en dat moest wel leiden tot een scheiding.” Volgende week vrijdag ontvangt Wispelwey de Nederlandse Muziekprijs. Een gesprek over cellisten, stijlverschillen, ironie en zwaartillendheid. “Gebrek aan nonchalance geeft de muziek magie.”

Op het publiek toegankelijke concert in de Wangzaal van de Beurs van Berlage in Amsterdam, waarop Pieter Wispelwey 29 nov. 20.15 uur de Nederlandse Muziekprijs krijgt uitgereikt, speelt hij, deels begeleid door Amsterdam Sinfonietta o.l.v. Lev Markiz muziek van o.a. Haydn, Kodaly en Tsjaikovski. Cd-opnamen met muziek van Bach, Britten en Beethoven (samen met pianist Paul Komen) zullen binnenkort nog door andere worden gevolgd.

Pieter Wispelwey (30), die volgende week vrijdag als eerste Nederlandse cellist van minister d'Ancona de Nederlandse Muziekprijs krijgt, wilde al vanaf zijn vroegste jeugd cello spelen. “Mijn vader zat in een amateurkwartet en de cello, toen bespeeld door een ex-leerling van Anner Bijlsma, was bij ons thuis voor een klein kind het meest imponerend. Ik was toen misschien twee en ik heb dus jaren moeten wachten omdat ik nog heel lang veel te klein was om zelfs maar een halve cello te kunnen bespelen. Op mijn vierde begon ik met de piano. De eerste tien jaar dat ik cello speelde wilde ik eigenlijk componist worden en misschien komt het daar nog ooit echt van. Omdat het cellorepertoire zo beperkt is wil ik later voornamelijk twintigste-eeuwse muziek spelen, en ik denk erover om die dan maar gewoon zelf te gaan schrijven.

“Toen ik acht was was begon ik met componeren en schreef mijn eerste Pianoconcert in c klein, een stuk van een kwartier. Ik noteerde nog wel geen opusnummers, maar ik had veel pretenties. Er waren een heleboel notenbalken, maar verder was het waarschijnlijk talentloze modder en ik weet niet eens of ik het nog heb. Alles was trouwens in mineur, dat was het makkelijkst, en ik moduleerde ook heel weinig. Het waren sonates voor cello-solo en piano in een slappe non-stijl, heel tonaal. Alleen één nummer voor cello-solo was wel wat chromatisch, dat moet ik nog ergens hebben. Ik was toen tien. Het componeren is daarna doodgebloed omdat de uitdaging om speeltechniek te perfectioneren zo groot werd, dat ik me helemaal op de cello concentreerde.”

Anner Bijlsma was de leraar van Wispelwey op het Amsterdamse Sweelinck Conservatorium. “Ik ben er voortijdig afgegaan. Ik heb daar ontzettend hard geoefend en dan loop je aan tegen een schisma met de leraar. Dat heeft heftig plaatsgevonden. Het ging over een heleboel dingen, vooral ook over het vinden van een eigen weg. Het was puur afzetten, volkomen dwarsigheid na een periode van mateloze bewondering. Dan leer je hem kennen en begrijp je uiteindelijk hoe de meester het doet. Er verdwijnen wat geheimen en dan moet je daar zelf wat tegenover stellen.

“Ik heb van Bijlsma wel alles behandeld gehad. Maar zijn stokpaarden - Bach en Boccherini - heb ik met opzet vermeden. Ik heb hem dat wel op concerten horen doen en ben daarna snel begonnen die stukken zelf uit te voeren en voor mijn gevoel principieel anders. Na vier jaar heb ik voor het hele repertoire afstand van Bijlsma genomen en heb me opengesteld voor andere invloeden. Ik was erg gulzig geweest, ik zat ook bij veel van zijn andere lessen. Uiteindelijk begreep ik zijn verhouding met muziek en dan moet je wegwezen.”

Het kost Wispelwey enige moeite om verder te praten over die principiële verschillen. “Je ontkomt niet aan karakterologische kwesties. We verschillen als water en vuur en dat moest wel leiden tot een scheiding. Het verschil in karakter heb ik door iemand anders aardig geformuleerd gezien: een Frans criticus die mijn cd's met de cellosuites van Bach besprak en ze vergeleek met de opnamen van Bijlsma. Het kwam erop neer dat Bijlsma meer de muzikant van het platteland was en ik meer een stijl heb die niet zozeer stads is, alswel passend in hertogelijke of grafelijke zalen.

Ironie

“Ikzelf voel dat - het is erg moeilijk om dat uit te leggen - Bijlsma's grootheid is gelegen in zijn typisch Hollandse houding. Op de voorgrond of op de achtergrond zijn ironie en afstandelijkheid voortdurend aanwezig. Dat heeft hem in het buitenland een enorm sterk imago gegeven. Als die relativering humor oplevert, is dat fantastisch en zeldzaam in de uitvoeringspraktijk. Maar ik ben veel serieuzer ingesteld en ben al heel snel enthousiast geraakt over de Duitse liedkunst, dus over Dietrich Fischer-Dieskau. Hij vertegenwoordigt een heel andere houding ten opzichte van muziek. Dieskau is zwaartillender en ventileert emoties op een directere manier, zonder relativering en ironie. Daar ligt een belangrijk verschil tussen Bijlsma en mij. Ik geloof dat ik niet veel verder moet gaan.

“Na dat conflict met Bijlsma ben ik van het conservatorium af gegaan. Hij stelde zelf voor om er maar een eind aan te maken. Op een vodje hebben we een eindexamenprogramma gemaakt. En nadat ik dat twee maanden later had gespeeld vertrok ik naar Amerika, een chique school in Rochester met veel oefencellen. Een jaar lang heb ik acht uur per dag geoefend, ik kreeg mijn eten, hoefde geen boodschappen doen. Ik kon zo veel spelen als ik wilde.

“Ik zie Bijlsma nooit meer, ik heb hem acht jaar niet gesproken. Hij heeft nog nooit een concert van mij gehoord. Voor mij is het nog steeds een lichtelijk gevoelig onderwerp. Daar komt de laatste jaren bij dat ik dezelfde stukken opneem als hij eerder deed. Ik word met hem vergeleken en dan is hij het establishment. Er is nu eenmaal een grote loyaliteit ten opzichte van dat soort mensen als ze een bepaald niveau hebben bereikt.

“Ik wil niet spreken over afgoderij, maar het moet heerlijk zijn om dat niveau te bereiken. Het leven wordt er een stuk gemakkelijker door. Als je eenmaal zover bent en je barst van het werk is dat heerlijk en dat versnelt je ontwikkeling. Voor mij is het nu invechten en hij is het establishment. Bijlsma is degene die sowieso wordt vereerd, al dan niet terecht. Zijn verdiensten zijn inderdaad enorm. En natuurlijk, ik mag dan geen Bach-les bij hem hebben gevolgd, maar dat vrijbuiterige, dat ondogmatische van hem, dat hoop ik toch ook tot in lengte van dagen te houden. Ik ben nu blij met de confrontatie. Ik heb destijds wakker gelegen van zijn Bach-concerten in de Waalse Kerk. Het waren mijlpalen in mijn leven.

“Vijf jaar later hoorde ik Fischer-Dieskau. Zijn kunstenaarschap is voor mij uiteindelijk van een andere orde. Die zeer overdachte consciëntieuze benadering van hem staat creativiteit en artisticiteit niet in de weg. Bijlsma komt graag het podium op zonder zich druk te maken of de eerste noot wel zal lukken en dan ziet hij na een paar maten wel of het een geslaagde avond zal worden. Dieskau weet al uren van tevoren dat de reis zal lukken, hij heeft de visionaire wilskracht om geen enkele noot te laten schieten omdat je toevallig niet gedisponeerd bent. Een absoluut gebrek aan nonchalance. Muziek krijgt daardoor extra magie, niet alleen van perfectie maar ook dat er in alle hoeken en gaten expressie is, geen toevallig panorama of een doorkijkje dat zomaar ontstaat.

Hout

“Nee, ik heb geen gebrek aan geldingsdrang, ik wil inderdaad wel wereldberoemd worden. Maar het gaat niet om die status op zich maar om de mogelijkheden die zoiets geeft en de kans een heel bijzonder instrument te bespelen. Het zou natuurlijk wel fantastisch zijn om op een veel chiquere cello te spelen dan ik nu te leen heb. Ik heb een paar keer zo'n ding in mijn handen gehad en dan schiet je vlug vol, omdat je je dan realiseert dat je gewoon maar altijd op een ander soort hout zit te bijten.

“Tijdens mijn conservatoriumtijd ben ik heel enthousiast geweest over Colin Carr. Ik vind hem nog steeds fenomenaal, hij heeft ook een volstrekt andere houding had tegenover muziek dan Bijlsma: overmatig romantisch, persoonlijk, emotioneel, al is hij stilistisch misschien niet helemaal geweldig. De afgelopen jaren heb ik van het geld van de Muziekprijs een paar lessen van hem genomen en was het leuk om met een vroeger idool te praten en tot een uitwisseling te komen. Sinds ik vroeger, maar dat is dus lang geleden, Bijlsma als idool had, heb ik inmiddels helemaal geen idolen meer onder de cellisten. Af en toe is er wel veel waardering voor Heinrich Schiff, maar soms ook niet. Yo-Yo Ma heb ik nu uitgebreider leren kennen, hij is sympathiek, maar geen idool. Ook Rostropovitsj niet.”

Wat vindt Wispelwey dan van Casals, Fournier, Tortelier, Navarra, Piatigorski, Starker?

“Misschien is het allemaal zelfverdediging om mijn hoofd boven water te houden, maar ik heb altijd zelf anders willen spelen dan wat ik van anderen hoor. Ik onderwerp me moeilijk. Lessen zijn leuk, maar je moet het uiteindelijk zelf doen. Casals heb ik wel eens 's nachts via de autoradio in een van Schuberts Moments musicaux gehoord. Inderdaad erg prachtig en nobel. Maar van zijn Bachsuites en Beethovensonates zie ik de magie niet in. Voor mijn eigen opname van de Sonate van Kodaly heb ik die van Janos Starker kritisch bestudeerd. Het is cellistisch onvoorstelbaar knap. Maar er staat op de hoes dat hij zo'n diepe denker is en een groot pedagoog. En als je dan luisterend de noten meeleest, bemerk je denkfouten in de interpretatie. Een idool is voor mij iemand die oermuzikaliteit heeft en expressie en ook degelijke macht en denkkracht heeft. Dat is Dieskau.” Wispelwey wijst naar een poster op de muur met de Britse sopraan Gwyneth Jones. “Zij werd een idool nadat ik haar op de tv zag als Brünnhilde in Der Ring des Nibelungen. Het ging vooral om die blik, zichtbaar volschietend als Donald McIntyre naast haar stond te zingen.

“Ik heb les gehad van William Pleeth en dat heeft grote indruk achtergelaten. Ik zat in de groep en daar stond hij dan, gekromd, zijn Stradivarius-cello bij de hals gegrepen, met vlammende ogen onder borstelige wenkbrauwen. "It has to hurt, it has to be painful.' Dat is iets wat Anner niet uit zijn strot zou krijgen, die oer-passie, die andere houding ten opzichte van de muziek. ”