Meesterwerken in Bonn geven geheimen niet prijs

Tentoonstelling: Die grosse Sammlungen I: The Museum of Modern Art, New York. Von Cézanne bis Pollock. T/m 10 jan 1993 in de Bundeskunsthalle, Friedrich-Ebert-Allee 4, Bonn. Open di-zo 10-19u. Catalogus (Duits en Engels) DM 45.

The Museum of Modern Art in New York, waarvan een deel van de collectie momenteel in Bonn te zien is, heeft vanaf zijn oprichting in 1929 een belangrijke voorbeeldfunctie gehad. De drie initiatiefneemsters - Abby Aldrich Rockefeller, Lillie P. Bliss en Mary Quinn Sullivan - waren zelf enthousiaste verzamelaars en wilden een groter publiek voor moderne kunst interesseren. De eerste directeur, de 27-jarige kunsthistoricus Alfred J. Barr Jr., had zich tijdens zijn studie verdiept in de verschillende facetten van de middeleeuwse kunst, van beelden en geïllumineerde handschriften tot architectuur en glas-in-lood ramen. Op reis door Europa ontdekte hij de Russische constructivisten, de Hollandse Stijlgroep en in Dessau het Bauhaus, waar onder één (modern) dak niet alleen schilderen en grafiek werd gedoceerd, maar ook industriële vormgeving, typografie, theater, film en fotografie. Bij de opbouw van de collectie en de organisatie van tentoonstellingen stond dit model hem als ideaal voor ogen. Ook Willem Sandberg die in 1945 directeur werd van het Stedelijk Museum, koesterde deze idealen. Het MOMA was voor hem en anderen een van de inspiratiebronnen.

Barr is in zijn oorspronkelijke opzet geslaagd. Het museum beschikt over zes afdelingen voor de verschillende verzamelgebieden: Schilder- en beeldhouwkunst, Tekeningen, Prenten en geïllustreerde boeken, Architectuur en design, Fotografie en Film. In de jaren '30-'50 nam bijna niemand moderne kunst serieus. Mede dank zij de voorbeeldige verzameling en de tentoonstellingen die het MOMA organiseerde, zoals Machine Art (1934), Cubism and Abstract Art (1936), Fantastic Art, Dada and Surrealism (1936) en Matisse: His Art and His Public (1951) waarbij uitvoerige wetenschappelijke catalogi verschenen, is daarin verandering gekomen.

De eerste tentoonstelling in de reeks Die grosse Sammlungen, dit najaar in de Bundeskunsthalle in Bonn, is niet representatief voor het veelzijdige karakter van het MOMA. Behalve schilder- en beeldhouwkunst - van Cézanne tot Pollock - komt film alleen aan bod in twee programma's (20 t/m 22 nov en 4 t/m 6 dec). De organisatoren zijn zich wel bewust van deze beperking, maar een gevarieerdere keuze bleek praktisch onmogelijk: voor de grote Matisse tentoonstelling die nu in New York wordt gehouden, is alleen de vaste opstelling schilder- en beeldhouwkunst tijdelijk ontmanteld. Niettemin voor de nieuwe Bundeskunsthalle die in juni openging, een unieke kans om een publiekstrekker van het beproefde recept 'Meesterwerken uit..' in huis te halen. Voor een ongesubsidieerde instelling als het MOMA is de organisatie van zo'n expositie bovendien financieel een aantrekkelijke onderneming.

In de catalogus komt de directeur van de afdeling Schilder- en beeldhouwkunst, Kirk Varnedoe, tot de (voor Europeanen) verrassende conclusie dat het MOMA zich in een nadelige positie bevindt ten opzichte van musea die beschikken over "large state budgets'. De concurrentie bij het verwerven van fondsen en belangrijke kunstwerken van particulieren is sterk toegenomen. De prijzen op de kunstmarkt zijn extreem hoog. Alleen door de werken in de collectie als ruilobject te gebruiken kon men vroeger en nu belangrijke aanwinsten verwerven, schrijft Varnedoe. Aankoop van hedendaagse kunst is van dit proces van 'upgrading' overigens uitgesloten. Door een dergelijke ruilhandel kwam het museum in 1989 in het bezit van Van Goghs "Portret van Joseph Roulin' dat nu in Bonn hangt.

Met zeventig andere schilderijen en beelden is het in één grote, hoge hal tentoongesteld. De meeste werken komen in een intiemere omgeving, zoals de zalen van het MOMA, beter tot hun recht en ook de belichting is niet overal optimaal. Een aantal was al eerder in Europa te zien, zoals de beroemde "Bauhaustrap' (1932) van Oskar Schlemmer en een drieluik van Max Beckmann op exposities in het Amsterdamse Stedelijk.

Ondanks deze bezwaren wordt men toch overrompeld door de hoge kwaliteit van de kunstwerken. Zij hebben een magnetische aantrekkingskracht op de bezoeker. Schilderijen als "De straat' (1933) van Balthus of "L'assassin menacé' (1926) van René Magritte zullen, hoe vaak en uitvoerig je ze ook bekijkt, nooit hun geheimen prijsgeven. "De storm' van Edvard Munch is in 1893 in Aasgaardstrand aan het Oslofjord ontstaan, waar de kunstenaar een zomerhuisje had dat nu als museum is ingericht. In een angstaanjagende, donkere nacht is een aantal vrouwen afgebeeld op dezelfde pier, waar Munch bij zonnig daglicht ook verschillende malen drie meisjes schilderde. Picasso is vertegenwoordigd met één beeld en vijf schilderijen, waaronder het kubistische "Ma Jolie' (1911-12) en "Meisje voor een spiegel' (1932). Van Brancusi zijn er twee beelden, een houten versie van de "Eindeloze zuil' (1918) en de glanzend gepolijste bronzen "Bird in Space' (1928).

Pop art en kunststromingen die daarna kwamen ontbreken in deze selectie. De meest recente schilderijen op de tentoonstelling, ontstaan in de periode 1950-56, zijn van Barnett Newman, Willem de Kooning, Francis Bacon en Mark Rothko.