Ik ben halsstarrig geweest, ik blijf een stijfkop; Gesprek met de Baskische schrijver Bernardo Atxaga

Bernardo Atxaga schrijft in een taal die tot de oudste van Europa behoort maar door nog geen honderdduizend mensen wordt gesproken: het Baskisch. Zijn grote boek Obabakoak, inmiddels ook in het Nederlands vertaald, werd door één op de vier Basken gekocht. “Ik een nationalist? Vergelijk het maar met de ober in het restaurant die een vrouwelijke klant beledigt en wanneer ze hem terechtwijst reageert met de woorden: “Aha, mevrouw is feministe.” Die vrouw is een normaal persoon. Net als ik. Ik kom alleen maar op voor mijn recht niet zoals de meerderheid te leven.”

Bernardo Atxaga: Obabakoak. Uit het Spaanse vertaald door Johanna Vuyk-Bosdriesz. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 384 blz. Prijs ƒ 39,90.

Op bladzijde 306 van Obabakoak, het magnum opus van Bernardo Atxaga, bevindt de verteller zich in een onherbergzaam woud. Het is donker. Het wemelt er van de wilde dieren. Na een lange tocht door weerbarstig struikgewas, bereikt de verteller echter een berg en bovenop die berg ontmoet hij niemand minder dan Pedro Daquerre Azpilicueta, bijgenaamd Axular, de hoogste autoriteit en de eerste van alle Baskische schrijvers.

Samen vervolgen zij hun weg naar een nog hogere top. Daar aangekomen zien zij dat hun berg een eiland is, dat verloren ligt in een onmetelijke oceaan. “Wat is het klein en nietig!” roept de verteller, die ineens beseft dat de plek waar hij staat overeenkomt met de positie van zijn moedertaal. “En welk een immense eenzaamheid!”

De Meester knikt instemmend. “Alle andere geschreven en gesproken talen op de wereld zijn onderling verweven en verwant. Maar het Baskisch, het Euskera, is uniek en verschilt van iedere andere taal. Daarom is het zo eenzaam.”

Die eenzaamheid, zo legt Axular uit, is niet de schuld van de buitenwereld maar van de bewoners van het eiland zelf. Als ze in het Euskera evenveel boeken hadden geschreven als de Fransen in het Frans was hun woonplaats niet zo dor en doods.

“Maar er zijn maar heel weinig schrijvers,” werpt de leerling tegen.

“En plagiators? Zijn er dan geen plagiators?” vraagt de meester verwonderd.

Plagiaat beschouwt men sinds de achttiende eeuw als iets onbehoorlijks, luidt het weerwoord. “Even onbehoorlijk als stelen. Tegenwoordig moet het werk van een schrijver de indruk maken uit het niets te zijn geschapen.”

“Dat is helemaal geen goede situatie,” meent de oude man. “Naar mijn mening heeft plagiaat vele voordelen als we het vergelijken met scheppende arbeid. Het is gemakkelijker te volbrengen en minder moeizaam. Je kunt twintig geplagieerde werken klaar hebben in de tijd die het kost om één origineel werk tot stand te brengen. En er worden dikwijls heel goede resultaten mee bereikt, iets wat niet altijd het geval is met originele teksten, omdat de kwaliteiten van het gekozen werk als voorbeeld kunnen dienen.”

Kort en goed: de verteller krijgt de opdracht om een methode te ontwikkelen voor het succesvol plegen van plagiaat. Hij komt tot de volgende aanbevelingen:

1. De plagiator moet voorbeelden kiezen die makkelijk zijn na te vertellen; aan Faulkner of Robbe-Grillet heeft hij niets.

2. Het te plagiëren werk mag niet onbekend zijn. Hoe beroemder het voorbeeld, hoe kleiner de kans op een smadelijke ontdekking.

3. Het veranderen van tijd en ruimte is voldoende om een oude geschiedenis een heel nieuw aanschijn te geven.

4. Zorg dat je flink wat sporen van het geplagieerde werk uitzet, wees op de hoogte van het begrip metaliteratuur en blaas hoog van de toren wanneer het plagiaat onverhoopt toch uitkomt. Critici zouden zich eigenlijk moeten schamen dat ze jouw hommage aan een grote voorganger niet veel eerder hebben ontdekt.

Zodra de verteller deze richtlijnen heeft geformuleerd, rept hij zich naar de bibliotheek van zijn dorp om de Baskische literatuur te verrijken met een verhaal van Phillippe-Auguste Villiers de l'Isle-Adam.

Dat verhaal begint op pagina 322 van Obabakoak en het wordt voorgedragen door een oom van de verteller, die zelf weer weggelopen is uit een geschiedenis die erg lijkt op iets wat Jorge Luis Borges geschreven heeft en bovendien een vriend heeft die zowel de hoofdpersoon is in een eveneens weergegeven avontuur (dat speelt langs de oevers van de Amazone) als de auteur van weer een ander vergezocht verhaal.

Wie tot hier heeft doorgelezen, zou langzamerhand overtuigd moeten zijn: Obabakoak - wat zoiets betekent als "verhalen uit het dorp Obaba' - is op zijn minst een zeer oorspronkelijke roman. Bernardo Atxaga - die eigenlijk José Irazu heet - is als auteur niet minder uitzonderlijk. Zijn grote boek, een ketting van de meest uiteenlopende verhalen, verscheen in 1988 in het Euskera en bereikte een oplage waaruit valt af te leiden dat het door één op de vier Basken moet zijn gekocht. In een door hemzelf gemaakte Spaanse vertaling verwierf het de nationale literatuurprijs en inmiddels is het in alle belangrijke Europese talen gepubliceerd, en ook in het Nederlands. Over een paar weken reist hij naar de Verenigde Staten om de Amerikaanse lancering bij te wonen.

“Natuurlijk schrijf ik mijn boeken niet van anderen over,” grijnst de 41-jarige dichter en schrijver met zijn brede mond en zijn donkere ogen. “Maar dat neemt niet weg dat ik plagiaat een geweldig thema vind. Al in de vorige eeuw heeft iemand eens gezegd dat het makkelijker is een complete wereld te scheppen dan een nieuw idee te verzinnen. De plagiator trekt de uiterste consequentie uit die gedachte. Hij maakt ons duidelijk dat we almaar hetzelfde schrijven, laag over laag, alsof je door een herfstig bos loopt en onder je voeten de gevallen bladen van je voorgangers hoort knerpen en ritselen.”

Atxaga woont in een keurig flatje aan de rand van Vitoria, de boomrijke hoofdstad van de provincie Alava en de zetel van het Baskische parlement. Om te schrijven pleegt hij zich af te zonderen. Drie maanden in de Franse Cevennen, drie maanden in Schotland, anderhalf jaar in een verlaten dorp op het Castilliaanse platteland. Maar hij houdt van praten. In zijn afzondering heeft hij soms het gevoel dat zijn stembanden verslappen en het leven stil dreigt te staan. Dan zingt hij maar wat bij zichzelf of wacht de hele dag op de twee herdershonden die tegen de avond met hun geblaf de stilte verbreken. Geluid is immers beweging en zonder beweging is er geen tijd. Het woord "geanimeerd' verwijst zowel naar de ziel als naar leven, beweging en vrolijkheid - wisten we dat?

Nu hij het zegt. Atxaga heeft maar een half woord nodig om door te praten. Jij zegt “pla-” en hij zegt:

“Plagiaat bevalt me ook omdat het een wapen is tegen de vergoddelijking van het schrijversvak. Het is tegengif tegen de mythe van de briljante eenling, en daarmee bedoel ik niet alleen de schrijver die zich zogenaamd van niemand iets aantrekt maar ook degene die zich juist als spreekbuis beschouwt van heel zijn volk. Want vergis je niet: die zogenaamd sociaal-bewogen dichters zijn de grootste romantici en daarbij ook nog despoten. Als zij iets verkondigen, hebben de massa's gesproken. Tekenen zij een manifest, dan tekent de hele natie. Octavio Paz vindt zichzelf niets minder dan een God. Pablo Neruda kon alleen maar in hoofdletters spreken. Voor mij lijdt het geen twijfel dat die twee moeten worden ingedeeld bij de meest reactionaire kant van de literatuur.”

De donkere ogen kijken nu boos, de mond is een streep geworden. Maar is Atxaga zelf dan geen romanticus en niet sociaal-bewogen? Hij schrijft per slot van rekening in een taal die misschien wel de oudste van Europa is maar nauwelijks een literatuur heeft en door nog geen honderdduizend mensen behoorlijk wordt gesproken. Terwijl hij het Spaans, een wereldtaal, minstens zo goed beheerst. Wil hij soms in zijn eentje het Baskisch redden?

“Nee. Zo eenvoudig zit dat niet. Ik zal het je vertellen. Luister.”

José Iruzu is geboren in het dorp Asteasu, niet ver van San Sebastian. In zijn verhalen is het een zeer landelijke plek geworden, waar tradities van eeuwen het dagelijks leven bepalen. In werkelijkheid werkten de meeste inwoners er in een nabijgelegen fabriek. Zijn vader was timmerman, zijn moeder een onderwijzeres die eigenlijk scheikunde had willen studeren maar door de oorlog in haar plannen was geremd. José sprak thuis Baskisch, maar op school Spaans en in die taal schreef hij ook zijn eerste opstellen en gedichten. Hij studeerde economie en vond daarna werk op een kantoor van de Banco Popular. “Dat was vreselijk, want die bank staat onder leiding van Opus Dei en dus werd je voortdurend dringend verzocht retraites en gespreksavonden te bezoeken. Maar achteraf prijs ik me gelukkig dat ik juist daar terecht kwam, want bij een moderne en vriendelijke bank was ik misschien wel blijven hangen. Nu heb ik het er nog geen jaar volgehouden.”

In de grote stad Bilbao ging hij een nieuw leven beginnen. 's Ochtends werken - op een school, in een winkel, een drukkerij - en 's avonds schrijven. Het was 1973. Franco was nog niet dood, maar de oppositie al springlevend. Het gistte en bewoog zo hevig langs de oevers van de Nervion, dat je nauwelijks tijd overhield om te slapen. Het Baskenland werd wakker uit een winterslaap die met het eind van de Burgeroorlog begonnen was. De ETA was op het toppunt van zijn populariteit. Maar de meeste indruk op de jonge econoom maakten de voorleesavonden van de dichter Gabriel Aresti, die naast zijn eigen werk ook Valery en Eliot voordroeg in het Baskisch.

“In het Baskisch! Je kunt je onmogelijk voorstellen wat dat voor ons betekende. Natuurlijk wist ik dat die taal bestond, maar ik had er nog nooit één woord in gelezen. Ik wist niet dat er voor de oorlog Baskische schrijvers hadden bestaan. Baskische woorden gedrukt zien - dat was een ontdekking. Daarna horen zingen: Bertolt Brecht in het Baskisch - dat kon dus ook! Het enthousiasme was zo groot en het was zo hecht verbonden met de oppositie tegen Franco, dat ik me er onmogelijk aan kon onttrekken. Ik begon ook in het Baskisch te schrijven. Een politieke beslissing? Ja, maar toch ook een literaire. Ik geloof dat het een uniek geval is, dat een rurale taal van de ene op de andere dag het voertuig wordt van de avant-garde. Dat hebben we toch maar mooi aan het franquisme te danken. Maar aan de andere kant: Agresti was ook gewoon de beste, de intelligentste, de indrukwekkendste literator die ik kende. Zo'n voorbeeld is belangrijk wanneer je jong bent. Af en toe kwam er een Spaanse dichter iets voorlezen en dan dacht je toch iedere keer weer: bwah, nee, flauwekul, slappe kost.”

Atxaga voegde zich in Bilbao bij een groep schilders, dichters, musici en theatermakers die elkaar dagelijks zagen en elkaar hielpen met teksten, drukwerk, decors, het sjouwen van instrumenten. Op het eerste gezicht een vreemde stap voor iemand die de eenzaamheid nodig heeft om te kunnen schrijven. “Maar noodzakelijk. In de eerste plaats door het ontbreken van een traditie. Lezen en schrijven zijn solitaire bezigheden, maar een Engelsman of een Duitser hoeft zich niet af te vragen of dat in zijn taal wel mogelijk is. Wie wil lezen, leest. Wie schrijven wil, schrijft. Voor ons was dat niet vanzelfsprekend. Zelfs in Baskenland vormden we een minderheid, want slechts twintig procent van de bevolking kon destijds Baskisch spreken. Iedere stap die wij zetten had een theoretische verantwoording nodig. Die bedenk je niet alleen. In de tweede plaats moesten we niet alleen literatuur maar ook een publiek crëeren. Dus: er op uit. Zingen, voorlezen. Ik heb sinds de jaren zeventig meer dan duizend lezingen gehouden, meer dan duizend bladzijden voor de radio geschreven en zesentwintig kinderboeken gepubliceerd.”

En toch voelt hij zich geen missionaris. Zelfs geen echte schrijver. “Wat er gebeurd is: ik ben verliefd geworden op die taal. Letterlijk, fysiek. Ik geniet van het ritme, liefkoos sommige woorden die ik heb ontdekt. Andere laten me weer betrekkelijk koud, zoals je ook niet alle delen van het lichaam van je geliefde heel bijzonder hoeft te vinden. Het is een oude legende dat de Basken zo van hun taal houden en die heeft mijn generatie serieus genomen. Daarin zijn we zeer romantisch geweest. Maar over het schrijverschap heb ik geen romantische ideëen. Het leidt tot niets, je kunt er niets mee bereiken. Ik heb me dan ook nooit laten verleiden om propaganda te bedrijven. Wèl in de blaadjes van de ETA geschreven, maar uitsluitend over poëzie. Ik kan me goed voorstellen dat ik over een paar jaar iets anders ga doen. Uitgeven, of gewoon veel wandelen. Uiteindelijk is het voor mij belangrijker om niet bij een bank te werken dan om een boek te publiceren. Want de angst voor armoe die onze ouders ons in de grauwe jaren vijftig bijbrachten was enorm en als ik ergens trots op ben, is het dat ik daar niet aan heb toegegeven. Ik ben halsstarrig geweest. Ik wil een stijfkop blijven.”

's Middags drinken we cider en eten we wangetjes van de heek. Atxaga betaalt, want door Obabakoak is hij rijk geworden. Het boek is een soort samenvatting van alles wat hij tot dusver als schrijver heeft gedaan. Sommige verhalen zijn kinderlijk van toon, andere doen met hun uitgebreide dialogen aan een hoorspel denken en er zijn ook griezelstukken, want hij houdt van Stevenson en Poe, en oosterse sprookjes, omdat hij een tijdje Arabisch heeft gestudeerd. Het lijkt een allegaar, maar het uitgangspunt was een bijna mathematisch grondpatroon. Voor hij begint te schrijven, maakt hij duizenden aantekeningen en een schema dat zo groot als een vloerkleed is. Maar wat gebeurt er? Je gaat zitten met een duidelijk idee van waar je heen wilt en dan nemen de woorden hun eigen loop. De taal schrijft mee.

Eerst was er een reeks verhalen die werden verbonden door de hagedis die - zoals ieder kind weet - in je oor kruipt en je hersens opeet wanneer je zo onvoorzichtig bent om in het natte gras in slaap te vallen. Toen bleek één verhaal veel te lang uit te vallen. Dat heeft hij dus maar vooraan gezet. Uit een serie van twaalf heeft hij er tien geschrapt. Nu heeft het boek drie delen, waarvan de eerste twee een voorbereiding zijn op het laatste. In deel één vertellen een oude man, een schooljuffrouw en een klein meisje over hun eenzaamheid, deel twee is een soort essay over zijn eigen belevenissen in het Castilliaanse dorp Villamediana en in het laatste hoofdstuk van deel drie is de verteller gek geworden en heb je als lezer eigenlijk geen andere keus dan te geloven dat het komt door die hagedis uit het sprookje. Je bent gevangen in zijn spel.

Er zijn thema's, zegt Atxaga, maar er is geen centrale gedachte. Het boek is een podium, een rommelkist; de schrijver een tovenaar die zijn publiek vermaakt met een lange reeks kleurige zakdoeken. Natuurlijk moet de tovenaar zich goed voorbereiden, maar de voorstelling mag ook weer niet te glad verlopen. Het moet spannend blijven. Als alles klopt, is het verloren. In de Baskische editie van Obabakoak stond vermeld dat de lezer zijn eigen volgorde mocht kiezen in de alfabetisch gerangschikte verhalen. Die mogelijkheid is in de Spaanse (en de Nederlandse) vertaling vervallen. De tovenaar knoopt zelf zijn doeken aan elkaar en zijn knecht, de nieuwe taal, vervult zijn rol ook op een andere manier.

“Een tekst in het Spaans of een andere Indo-Europese taal gaat twee keer zo snel als een tekst in het Baskisch,” zegt Atxaga. Het onderwerp van een zin of zinsdeel staat in zijn taal altijd aan het eind en alles wat er van afhangt, iedere nuancering, gaat daaraan vooraf. Je moet dus minstens zes of zeven woorden vooruit weten wat je gaat zeggen en de lezer of luisteraar krijgt pas een sleutel voor de interpretatie aan het eind van iedere zin. Het is daardoor moeilijker om al formulerend te denken. Het Baskisch beweegt zich niet rechtlijnig voort, maar “via knopen” en breidt zich daardoor ook almaar in de breedte uit. En dan zijn er natuurlijk woorden die andere talen niet kennen. Zoals de eskimo's verschillende soorten sneeuw onderscheiden, hebben de Basken veel meer woorden voor regen dan een Spanjaard zich kan indenken.

Het boek waar hij nu aan werkt gaat over de revolutie in het dorp Obaba. De revolutie van de jaren zeventig. Het wordt geen nostalgisch boek, want aan nostalgie heeft hij een hekel. Maar vrolijk kan het ook niet worden, want Baskenland en Spanje staan nog steeds op gespannen voet met elkaar. Om niet al te zeer te versomberen werkt hij daarom aan een tweede boek: een verzameling verhalen, een soort collage of bloemlezing over de struisvogel, die hij een hele mooie en vrolijke vogel vindt.

“Er is in Spanje veel veranderd sinds Franco, maar nog altijd voelen de Basken zich een bedreigde minderheid. We hebben onze eigen scholen, onze eigen politie, onze partijen en zelfs onze boeken, maar geaccepteerd door de rest van Spanje zijn we nog altijd niet. De psychologische oorlog gaat gewoon door, ik merk het iedere dag aan duizend kleine dingen. Onnauwkeurigheden waaruit minachting spreekt, beledigingen. Om ons zelfrespect te bewaren, moeten we ons blijven verdedigen. Daardoor blijft het klimaat ook in onze eigen streek gespannen. Er is veel wat je hier niet mag zeggen, want dat speelt de vijand in de kaart. Natuurlijk vind ik dat het geweld van de ETA onmiddellijk moet ophouden, maar als een voormalige fascist dat roept zal ik hem toch niet bijvallen. Zo denken de meeste van mijn vrienden.

“In Baskenland geld ik als een asociale individualist, maar buitenstaanders zullen me wel als een nationalist beschouwen. Op zichzelf is dat onzin. Baskische schrijvers zijn veel meer op het buitenland georiënteerd dan hun collega's in Madrid of Parijs. Ik een nationalist? Vergelijk het maar met de ober in het restaurant die een vrouwelijke klant beledigt en wanneer ze hem terechtwijst reageert met de woorden: “Aha, mevrouw is feministe.” Die vrouw is een normaal persoon. Net als ik. Ik kom alleen maar op voor mijn recht niet zoals de meerderheid te leven. Nationalisme is een verwijt dat men alleen maakt aan kleine culturen.”

Atxaga zou het liefst willen dat zijn land de weg gaat die hij zelf gaat in zijn boeken. “Ontsnappen aan de metaforische conditie” noemt hij dat. En hij legt uit: “We zouden op moeten houden met discussies over abstracte begrippen als vrijheid, onafhankelijkheid, democratie, volk, taal. We zouden ons bezig moeten gaan houden met concrete problemen. Dat zou een teken van volwassenheid zijn, van normalisering. Maar die vrijheid is ons niet gegund. Wij blijven ons op principes beroepen, zoals jonge mensen en jonge naties, doordat we klein zijn en bedreigd. UIteindelijk is het allemaal een kwestie van schaal. Waar vind je in Europa nog actieve trotskisten en marxisten? Niet in de wereldsteden. Alleen in Baskenland. Ik ben er doodmoe van, om iedere keer weer het bestaan van mijn taal te moeten verdedigen. Maar ik ontkom er niet aan, terwijl ik het veel liever over de schoonheid van de struisvogel heb. Ik weet allang dat de taal of de literatuur uiteindelijk niet belangrijk zijn en dat het gaat om wat daar vóór ligt: vriendschappen, wandelingen, liefde, het leven. Ik zal je iets zeggen wat ik hier nooit in het openbaar zou durven uitspreken: het Baskisch heeft geen toekomst. Alleen de grote talen zullen overleven. Dat is erg, maar onvermijdelijk en dus moet je het aanvaarden. De geliefde sterft. Over vijftig jaar is het Euskera definitief verdwenen. En over honderd jaar bestaat ook het Nederlands niet meer.”