Het smakelijkste deel van de vis; Essays van T. van Deel over poezie en beeldende kunst

T. van Deel: Als ik tekenen kon. Uitg. Querido, 200 blz. Prijs ƒ 39,90

De titel van T. van Deels verzameling essays klinkt als een verzuchting met een ingesloten wens. Als die wens verhoord werd en hij kon het ineens wel, wat zou hij dan maken? Tekeningen die aansluiten bij zijn gedichten of juist iets heel anders? Daar laat hij zich niet over uit en daar heeft hij gelijk in, want het zou een raar gespeculeer worden. Het is al lastig genoeg om bij het werk van de dubbeltalenten die we kennen een duidelijke uitspraak te doen over de samenhang van de twee kunsten die ze beoefenen. Bij de combinatie van componist en schrijver lijkt het me al helemaal een heilloze onderneming.

Er is al heel wat afgeschreven over de relatie tussen schrijven en schilderen in het werk van William Blake, Theo van Doesburg, Hugo Claus, Jan Luyken, Jean Cocteau, Jacobus van Looy, om maar een greep te doen, en de conclusies spreken elkaar nogal eens tegen. De een ziet een harmonieus samengaan van de twee kunsten, de ander compensatie, complement of zelfs tegenstrijdigheid.

In zijn essays houdt Van Deel zich alleen zijdelings bezig met deze kwestie. Zijn stuk over Chr.J. van Geel gaat over diens tekeningen en het verband met zijn poëzie wordt maar even aangestipt. In een van de stukken over Lucebert memoreert hij dat Lucebert zelf herhaaldelijk heeft ontkend dat er overeenkomsten bestaan tussen zijn gedichten en schilderijen. Het is begrijpelijk dat een kunstenaar dat zegt, redeneert Van Deel, want vanuit zijn perspectief is het verschil tussen verf en taal zo groot dat alleen het verschil telt. De beschouwer hoeft een dergelijke uitspraak niet klakkeloos te ondertekenen en Van Deel spreekt dan ook van "aantoonbare verbanden' tussen het beeldende en het literaire werk. Veel verder dan die constatering gaat hij niet omdat hij bang is terecht te komen in nietszeggende formuleringen als alles hangt met alles samen. Hoe zeer de vraag naar onderlinge samenhang hem intrigeert, hij laat zich niet verleiden tot een gedetailleerd antwoord en beperkt zich tot de conclusie dat Lucebert zich in zijn schilderkunst zowel als in zijn poëzie een algehele vrijheid veroorlooft en dat hij op beide gebieden au fond een moralist is. In zijn algemeenheid is dit zeker waar, maar Van Deel zal wel willen toegeven dat het maar een begin van de waarheid is.

De meeste stukken in zijn boek gaan niet over dit hachelijke onderwerp maar over wat Van Deel beeldgedichten noemt, gedichten die gemaakt zijn naar aanleiding van een tekening of een schilderij. Hij heeft grote affiniteit met dit type poëzie en heeft zelf indertijd een reeks drieregelige gedichten geschreven bij vogeltekeningen van Van Geel. Vooral Vestdijk, van wiens werk Van Deel een van de beste kenners is, krijgt veel aandacht. Steeds weer legt hij er de nadruk op dat Vestdijk overwegend een beeldend dichter was. Hij brengt in de herinnering dat Vestdijk "plastiek' als nieuw genre voorstelde, naast lyriek en epiek, en hij citeert de bekende uitspraak dat in de drieëenheid klank-beeld-gedachte het beeld de middenmoot is en dus het smakelijkste deel van de vis.

Zo'n stelling blijft natuurlijk helemaal voor rekening van Vestdijk. Er zijn visliefhebbers die de kop en de staart een lekkernij vinden en de middenmoot als niet meer dan voedsel beschouwen.

Of Vestdijks theorie voor zijn eigen werk altijd opgaat, is overigens een tweede. Er zijn heel wat gedichten van hem aan te wijzen waar de "gedachte' de overhand heeft. Overheersing van de klank, daarentegen, heeft Vestdijk voorzover ik weet altijd vermeden, terwijl de muziek hem toch veel nader stond dan beeldende kunst. Het is merkwaardig dat totaal onmuzikale dichters als Marsman en Vondel zoveel aandacht aan de klank van hun poëzie besteedden, en dat zeer muzikale als Vestdijk en Huygens dat juist niet deden. “Te veel klank leidt af van de inhoud,” schreef Vestdijk in De glanzende kiemcel.

Heel precies en overtuigend gaat Van Deel na hoe Vestdijk de plastiek van een aantal schilderijen van Piranesi, Van Heemskerck, Brueghel, Rubens en Rembrandt heeft overgebracht in beeldgedichten. Daarbij komt de werkwijze van Vestdijk vaak ter sprake en ook op dat gebied is Van Deel buitengewoon deskundig. Uit de praktijk van zijn editeurschap van Vestdijks Nagelaten gedichten weet hij veel wetenswaardigs mee te delen. Hij ziet Vestdijk als bij uitstek de dichter van het voltooide gedicht. Zelfs in de nalatenschap waren zo goed als alle gedichten af: “bij Vestdijks werkwijze was het voltooien inbegrepen”. In dat opzicht was hij de absolute tegenpool van Leopold met al zijn open varianten. En eigenlijk ook van Gezelle die, zo zegt Van Deel, op zijn best was als hij niet toekwam aan het voltooien van een gedicht: “zodra hij iets ging afronden, werd hij priester in plaats van dichter”. Door op dit alles uitvoerig in te gaan is Van Deels boek niet alleen een boeiend relaas over beeldgedichten maar ook een waardevolle bijdrage aan de Vestdijkstudie.

Het boek besluit met enkele essays die buiten het eigenlijke onderwerp vallen: een paar stukken over Koolhaas, een zakelijke verdediging van de studie Nederlands tegen een aanval van Maarten 't Hart en een atmosferische beschrijving van het eiland Naxos waar een geliefd stenen beeld uit de oudheid rust.