Het Media Archief van Bilwet: wetenschap, literatuur of onzin? Een rel op papier

De media zijn alomtegenwoordig in de de moderne samenleving en het media-onderzoek is de sleutel tot het begrip van de informatie- maatschappij, vinden sommige geleerden. Om de werking van de media te doorgronden zijn onorthodoxe onderzoeks- methoden nodig, beweren zij. In het onlangs verschenen Media Archief van Bilwet stellen de schrijvers zo'n ongewone media-theorie op. “Onze theorieën hebben geen enkel nut of rendement, je kunt er niets mee; en dat strookt niet met wat in de wetenschap gebruikelijk is. Wat wij schrijven maakt deel uit van dezelfde wereld als de media”, zegt Geert Lovink, een van de auteurs.

Sociologen, journalisten, kunstenaars en filosofen houden zich de laatste decennia in toenemende mate bezig met de media als sleutel om de maatschappij te begrijpen. Verreweg het grootste deel van die denkers beschrijft het ontstaan van de informatie-maatschappij, waarin de media alomtegenwoordig en bijna almachtig worden, als een proces van uiteenvallen en bederf van de Westerse cultuur.

Naast het traditionele sociaal-wetenschappelijke onderzoek is er nog een andere methode van media-onderzoek. De aanhangers van deze methode werken op een manier die minder lijkt op die van economen, en meer op die van kunsthistorici. Vaak achten ze het nodig om zelf begrippen te bedenken en ontwikkelen ze een speciale stijl van schrijven om hun inzichten over de zo moeilijk grijpbare gebeurtenissen in de media onder woorden te brengen.

Wat de Frankfurter Schule in de jaren dertig deed, deden Amerikaanse essayisten en onderzoekers als Marshall McLuhan in de jaren vijftig en zestig. Vanaf de tweede helft van de jaren zeventig lijkt deze vorm van cultuuronderzoek, die zich toespitst op de media en hoe de wereld daarin verschijnt, in toenemende mate een zaak van Franse theoretici: Roland Barthes, Lyotard en vooral Baudrillard.

Van al deze theoretici kan worden gezegd dat ze de tijd waarin ze leven theoretisch proberen te doorgronden, door zich te richten op dat wat als het eigene en volstrekt nieuwe van die periode kan gelden. Ze zijn genoodzaakt speculatief te werk te gaan en allerlei historische verbanden te negeren om dat zichtbaar te kunnen maken, waar nog weinig of nauwelijks woorden voor zijn. Met hun zelfbedachte begrippen, hun overdrijvingen en voorspellingen halen ze zich verwijten op de hals: onleesbare charlatans, pretentieuze praatjesmakers, onwetenschappelijke warhoofden, en zo verder. Dat gold voor Adorno, voor McLuhan en vandaag de dag voor Baudrillard.

In al die verwijten schuilt een kern van waarheid, dat wil zeggen dat deze schrijvers niet voldoen aan wat men van theoretici verwacht. Een theoreticus zou in alle redelijkheid de verschijnselen moeten onderbrengen in een omvattend systeem van verklaringen, en liefst zo dat het gezonde verstand weer weet wat te doen en aan de slag kan met de theorie in het achterhoofd.

Maar dit is een ander soort theorie, die zichzelf opvat als experiment, als verkenning. Niet als een poging tot ultieme verklaring, of aanzet tot een brede discussie. Het is theorie die zich verwijdert van de wetenschap en dichter in de buurt staat bij literaire essayistiek.

Deze vaststelling maakt het mogelijk wat ontspannener naar het wonderlijke proza van schrijvers als Baudrillard te kijken. Dat er heel veel tegen in te brengen is, waar de theorie geen rekening mee houdt, is dan geen al te groot probleem meer.

Zo'n media-theorie pretendeert geen wetenschappelijke verklaring voor de media te leveren, maar ziet zichzelf als een verkenningsapparaat, een bril van woorden, die het nieuwe en vreemde zichtbaar wil maken van de maatschappij die met de elektronische media ontstaat. Het is een benadering die voortkomt uit de wens naar een theorie, die ons bij het dagelijks leven in het verwarrende en benauwende medialandschap vergezelt. Niet als wetenschappelijke waarheid of moderne donderpreek, maar als overlevings-instrument en bron van plezier.

Onlangs verscheen het Media Archief van Bilwet, de stichting ter Bevordering van Illegale Wetenschappen (Bilwet) in oprichting. Het is een mollig boekwerkje, dat er met zijn afgeronde hoeken uit ziet als een kruising tussen een kerkelijke liederenbundel en een zak-belastinggids. Het bevat volgens de verpakking "manifesten, beschouwingen en besprekingen, die tot doel hebben de media in de ruimste zin van het woord op speculatieve wijze in kaart te brengen door ze op te roepen, en te eisen dat ze duidelijk maken wie ze zijn.' Gelukkig staat er meteen bij dat dit een onmogelijke expeditie is en dat de inhoud van het boek geldt als onzekere theorie. Is dit humor, wetenschap, literatuur of onzin? Waarschijnlijk een bastaardvorm van alle vier.

Het boek is verdeeld in drie afdelingen, gerangschikt onder de drie laatste letters van het alfabet: X, Y en Z. Het eerste deel bevat Uto's oftewel Unidentified Theoretical Objects, het tweede Definitieve Essays en het derde geeft inzicht in de bronnen van de mediatheorie van Bilwet. Hoe enorm ruim de zin is waarin de schrijvers het begrip media opvatten blijkt al uit de titels van de teksten: het occulte verkeersbord, oude media, de deur in ons bewustzijn, de alien en zijn media, foute media, vage media, soevereine media, de socialist en zijn media, de aantrekkelijke werkelijkheid en geheim socialisme.

De toon waarop al die onwaarschijnlijke onderwerpen worden aangesneden is zonder uitzondering zelfverzekerd, opgewekt en provocerend. De mediatheorie van Bilwet is verbijsterende lectuur. In het nawoord, met de enigzins melige titel zelfreceptie, wordt aangegeven hoe dat komt: “Bilwet vraagt zich bij de behandeling van de media niet af hoe men kan worden ingewijd, maar hoe men wordt uitgewijd”. De voortgang in hun teksten is niet die van een schakeling van associaties en begrippen, maar het tegendeel van schakeling, “doordat hij ontkoppelt, breuken in de gedachtengang, denkongevallen en diskontinuiteiten veroorzaakt. Bij schakelen geldt de regel: van het een komt het ander, bij loskoppelen: na het een komt iets heel anders. Het gaat niet om diepgang, maar om spanning. De analyse is er niet op uit verbindingen te leggen, maar te verbreken. Zo ontstaan tekstuele wrijvingen, onenigheden, misverstanden, mislukte en geslaagde grappen.”

Helder en gemakkelijk leesbaar zijn deze mediateksten niet, maar hoezeer de schrijvers ook de nadruk leggen op willekeur, toeval en wispelturigheid, de lezer krijgt veel vrolijk spektakel voor zijn moeite. Een voorwaarde is dat de lezer, samen met de auteurs, geniet van de absurde effecten die optreden als gewichtige begrippen botsen op alledaagse mediaverschijnselen. Het hilarische effect dat het boek oproept berust op het steevast toegepaste middel van de ongeremd doorschietende redenering.

Ruis

Een goed voorbeeld daarvan is de theorie van de soevereine media. Uitgaande van de alomtegenwoordigheid van de media, bespeuren de auteurs een om zich heen grijpend nihilisme bij de zogenaamde mediasten, (hun aanduiding voor programmamakers), die nauwelijks nog mogelijkheden zien om betekenisvolle programma's te maken. Het keurslijf van de programmering laat niet toe wat voor onderwerp dan ook inzichtelijk te maken, zo complex is de werkelijkheid en zo simplificerend "het format' van hun medium.

Soevereine media drijven die tendens op de spits door te kiezen voor het welsprekende motto: Ruis is de moeder van alle informatie en bijvoorbeeld op eigen, kleine radiozenders mediale ruis uit te zenden. Dat wil zeggen, programma's, die nergens meer over gaan, en zich hebben geëmancipeerd van het potentiële luisterpubliek. Ze mengen naar hartelust onzinnige tekst, vele soorten muziek en geluiden. Ze willen klein en obscuur blijven, en schuwen iedere informatieve inhoud. Ze experimenteren in een onontgonnen gebied zonder enig zicht op een ander resultaat dan hun eigen plezier. Waar anderen balorigheid zien, stellen de mediatheoretici van Bilwet de geboorte van een nieuw media-gebruik vast, dat ontsnappen wil aan het netwerk van de burgerlijke openbaarheid. Deze uitzendingen die nergens goed voor zijn drijven de ontwikkeling van de media op de spits. Door de radio te vervolmaken jagen ze haar als medium over de kling.

Het toejuichen van zulke ontwikkelingen is kenmerkend voor de aanpak van Bilwet. Door het hele boek keert de profetische gedachte terug dat de media zichzelf zullen vernietigen door zich te vervolmaken.

Bilwet brengt dus niet zozeer de media in kaart, als wel de plaatsen waar ze in ontbinding raken, zichzelf uithollen en uitputten. Vandaar de aandacht voor de uiteenlopende manieren om de invloed van de media te ontwijken, te verstoren, en tot in het absurde door te voeren. Daarom kunnen we in het boek lezen over vage media, de anti-mediale beweging, foute media en beeldstiltes. Bilwet wil de lezer de ogen openen voor de vreemdheid van het vertrouwde medialandschap dat we bewonen, zodat hij als een toerist in zijn eigen leven de mogelijkheden leert zien om in de hybride mix van data die de media over ons uitstorten, buitenmediale momenten te ontdekken. Zo en niet anders kan het onontkoombare bestaan in de gemediatiseerde wereld van nu dragelijk zijn. Bilwet schrikt er niet voor terug om haar mediatheorie met zelfironie te afficheren als geestverruimend middel, onontbeerlijk om staande te blijven in de moderne tijd.

Bilwet bestaat uit Bas Jan van Stam, Lex Woutersloot, Ger Peeters, Arjen Mulder en Geert Lovink. Hun wortels liggen, zoals het woord illegaal al kan doet vermoeden, in het activisme van de kraakbeweging. Eerder publiceerden ze De Bewegingsleer, een geschiedenis van de Amsterdamse kraakbeweging, die werd gekenmerkt door dezelfde lichtelijk absurde ironie en aandacht voor de media, als het Media Archief. Het boek is inmiddels in Duitsland en de Verenigde Staten verschenen, iets wat ook met het Media Archief op stapel staat.

Twee van de leden van Bilwet vroeg ik hoe Bilwet-teksten onstaan.

Arjen Mulder: “De minimum voorwaarden zijn twee jongens en een schrijfmachine. Het gaat zin voor zin. Om de beurt. Eén schrijver is onmogelijk, maar het kunnen er wel vier of meer zijn. Het gaat erom dat er iets ontstaat wat geen van ons alleen had kunnen bedenken. De tekst doet het zelf, die moet op hol slaan. We beginnen met een titel en schrijven net zolang door tot we weten waar het over gaat. Wij als mixers brengen een woekering van begrippen en gegevens op gang, maar we hebben zelf vaak genoeg het nakijken.”

Jullie noemen de stukken in dit boek theorie, en er blijkt uit dat jullie goed op de hoogte zijn van filosofische en sociaal-wetenschappelijke theorieën. Hebben jullie wetenschappelijke pretenties met dit boek?

Geert Lovink: “Onze theorieën hebben geen enkel nut of rendement, je kunt er niets mee; en dat strookt niet met wat in de wetenschap gebruikelijk is. Wat wij schrijven maakt deel uit van dezelfde wereld als de media. Net als de media zelf kan de mediatekst nooit een definitief inzicht opleveren. Bovendien hebben we niet de pretentie te schrijven over de werkelijkheid. We hebben het over de mogelijkheden van de media, en over potentiële media, die er nog niet zijn, maar zouden kunnen bestaan. We speculeren over waarschijnlijkheden.”

Arjen Mulder: “Er zijn ook veel bilwet-teksten die gedachten opperen, die elkaar tegenspreken of zelfs uitsluiten. We zijn nooit op zoek naar een totaal-theorie. Overzicht over de media is onhaalbaar. We willen er midden in zitten, in de hybride ervaringen van de media zelf. We maken gebruik van een roes-effect dat in de taal kan ontstaan. Dat klinkt een beetje eng, maar je moet niet denken aan een soort fascistische verheerlijking van de roes. Ik bedoel, in de zin van een politieke strategie die daarop gebaseerd is. Er is altijd een zogenaamde exit, waarin de roes zichzelf opblaast als absurde humor.”

Geert Lovink: “Daarmee zijn het wel onmogelijke exercities die alleen op papier bestaan. Je kunt er niets mee. En dat is belangrijk. Het toepassen van kritische theorieën heeft veel rampspoed opgeleverd. Daar komt bij, dat het geschreven woord allang niet de macht meer heeft, die de gebruikers ervan hopen. Theorieën over de maatschappij hebben, in tegenstelling tot vroeger, nauwelijks nog consequenties. Dat betreuren wij niet.”

Maar wat jullie een mediatekst noemen heeft wel effect. Helemaal nutteloos en vrijblijvend is hij niet. Jullie zeggen zelfs dat hij een bevrijdende werking kan hebben, als een soort tegengif tegen het mediabombardement.

Arjen Mulder: “Zeker, de media zullen nooit meer hetzelfde zijn, na wat we hebben opgeschreven. Ik herinner me de enorme opluchting toen we dat verhaal "De Wereld Na de Media' hadden geschreven. Dat je zomaar voorbij de media kon denken en je een wereld voorstellen waar media niet meer bestonden. Heel verfrissend als je normaal in een wereld zit die beheerst wordt door media. Om er op los te theoretiseren en er zotte wendingen aan te geven.”

Geert Lovink: “Het is een vorm van opnieuw beginnen, gewoon op eigen houtje. Overal lees je tegenwoordig over het einde van de geschiedenis, van de kunst, van de politiek. We nemen geen genoegen met het constateren van het failliet of het einde van alles. Dat is pas een begin. Daarom komen we ook logisch uit op potentiële media.”

Jullie omschrijving van media is zo ruim, dat hij bijna zo groot als het leven wordt. Jullie opvatting van theorie is zo onwetenschappelijk en merkwaardig, dat de positie die jullie als schrijvers innemen dicht in de buurt komt bij die van een literair essayist. Schrijven jullie niet gewoon een hedendaags soort literaire satire op de waanzin van de media?

Arjen Mulder: “Of we literair zijn of niet hebben we ons nog nooit afgevraagd. Onze teksten houden in ieder geval volstrekt geen rekening met een eventuele lezer. Literair zijn we liever niet, al was het maar om geen etiket te krijgen. Bovendien krijg je dan het probleem of men ons wel of niet serieus neemt. Nu hebben we daar niets mee te maken. Je moet uiterst voorzichtig zijn om jezelf wat dan ook te noemen. Om je vrijheid te behouden. Het is net als met je geld: zorgen dat je economische basis helemaal los van het schrijven staat. Om financieel onafhankelijk van je schrijverij te zijn.”

Geert L.: “Wij hebben ons eigen netwerk. Kleine tijdschriften, lezingen, illegale radiozenders. Wij maken geen onderscheid tussen major en minor media. De mensen die in de media werken denken dat er zoiets bestaat, maar er is geen hiërarchie in de media. Een televisie-optreden kan wel eens voor niemand iets opleveren: niet voor de omroep, de kijkers of voor degene die meedoet. Maar als hij een artikel schrijft in een blad met een oplage van tweehonderd kan dat een enorm effect hebben, een openbaring zijn.”

Arjen M.: “Niet alleen de media waarvoor we werken zijn voor ons gelijk, ook zit er geen rangorde in de gegevens waarmee we werken. Of het nu een kranteartikel of het verzamelde werk van Hölderlin is, of kunstfilms of strips. Het zijn allemaal data. We hebben niets tegen literatuur, het zijn vaak hele mooie data.”

In het laatste deel van het boek staan nogal droge referaten over het werk van McLuhan, Virilio, Baudrillard, Theweleit en de Terminator-films van James Cameron. Waarom staan die er in, en waarom zijn ze zo mat van toon. Zijn dit jullie leermeesters?

Arjen Mulder: “Boeken van derden, zoals wij dat noemen, daar is nooit iets aan toe te voegen of op af te dingen. Ze staan er in, niet omdat het gedachtengoed is dat om kritiek, lof of context vraagt, maar omdat ze het vermogen bezitten om van de mediatheorie "fictional science' te maken. Het zijn mensen wier leerling je niet kunt zijn, omdat ze je weg sturen om zelf te gaan denken. Bovendien, niemand leest die schrijvers tegenwoordig omdat hun namen zo vaak vallen, dat iedereen denkt hun werk te kennen. Hier geven we de Bilwet-versie van hun werk.”

Er is van alles te kritiseren aan dit Media Archief. Bijvoorbeeld dat de Bilwet-theorieën op den duur vermoeiende lectuur zijn, en sommigen zullen afschrikken door het abstracte en onberekenbare woordgebruik, dat beïnvloed is door Franse denkers die hier te lande in een kwade reuk staan. Ook is het zo dat het activistische verleden van de auteurs zich hier en daar nadelig laat gelden, bijvoorbeeld als er geparodieerd wordt op de strategie-discussies van wat destijds de sociale bewegingen heette. En dan kan de absurdistische bravoure een bezwaar vormen, omdat het hier en daar wat al te jongensclubachtig is.

Maar wie een keer heeft moeten lachen om de prachtige, bizarre zinnen, die in het Media Archief staan, is gebeten. Die blijft lezen. Het is een verbluffend boek, waarin de meeste ideeën die over de media gemeengoed zijn door elkaar worden geschud en/of uit elkaar vallen. Daarbovenop levert het komische en uitdagende beelden van wat ons te wachten zou kunnen staan.

Dit is een boek voor mensen die kunnen genieten van beschouwingen die wel ergens over gaan, maar alle kritische discussies en heilige ernst links laten liggen. Wie de speculatie kan laten beginnen "voorbij het nulpunt van de betekenis' en oor heeft voor "de jamsessies der vertogen', betreedt een ruimte waar opwindende gedachten worden geopperd, verpest, belachelijk gemaakt en weer verdwijnen. Het is een ruimte die nog geen andere naam heeft dan bil-tekst, en die een bastaardvorm van (para)wetenschap, essayistiek en satire is.

Bilwet schrijft niet in een bestaand genre, maar heeft in het schrijfuniversum een eigen ruimte gekraakt. Daar voeren ze hun ter plekke geldige, vluchtige fictionele theorie op. De bouwstoffen en energie voor hun uiteenzettingen zijn, zoals Bilwet zelf zegt, afkomstig uit de media zelf. Maar hun verhalen hebben geen positieve bijdragen op het oog “die meewerken aan het gezondmaken van de verbindingen, de terugkeer van de gemeenschap, het herstellen van het tussenmenselijke of de wederopbouw van het afgetakelde lichaam”. Het boek besluit met een groteske finale: “De mediatheorie is parasitair en wil zijn gastheer leegzuigen. Mediatheorie is fataal voor media.”

Bilwets provocaties hebben de allure van een levenslustige rel, zij het op papier. Net als bij een rel in de straat verscherpt de uitbarsting van onaangepastheid en destructieve vrolijkheid het beeld van de normaliteit. Wie de media als een vreemde planeet wil ervaren, schenkt zichzelf het Media Archief. Tegen degene die na lezing van het bovenstaande denkt dit is nonsens, valt nog te zeggen: ja, het is nonsens, maar van de beste soort: nonsens die kietelt en bijt.