Franse Mirages voor Taiwan geven RDM nieuwe hoop

ROTTERDAM, 20 NOV. Bij de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij (RDM) gloort onmiskenbaar een nieuwe, zij het nog zwakke, hoop op een betere toekomst op een vertrouwd terrein.

Nu Frankrijk de politieke druk van China weerstaat en maar liefst 60 gevechtsvliegtuigen van type Mirage aan Taiwan levert, met bijbehorende Mica-raketten, zou er in Den Haag toch weer een basis moeten ontstaan voor een gesprek over een Taiwanese order voor Nederlandse onderzeeërs, wordt er in Rotterdam voorzichtig gefluisterd.

Als China, zij het onder hevig protest, de Franse wapenleverantie aan Taiwan zou laten passeren zonder ernstige consequenties voor de betrekkingen met Parijs, wat stellen dan de eerdere dreigementen aan de Nederlandse regering nog voor?

Begin dit jaar besloot de regering met instemming van de Tweede Kamer (CDA, PvdA en Groen Links) geen exportvergunning aan RDM te verlenen voor de levering van onbewapende onderzeeërs of onderdelen aan Taiwan. Maar op 19 februari aanvaardde de Tweede Kamer de motie-Tommel (D66), die bepaalt dat RDM in de toekomst wel een vergunning moet krijgen wanneer zou blijken dat andere EG-landen wel wapens naar Taiwan gaan exporteren. Met deze motie zegde Den Haag China de wacht aan. Minister-president Lubbers op 19 februari: “Hier staat de regering niet tegenover de Kamer”.

Contacten tussen RDM en de Taiwanese Marine zijn er nog steeds. Er worden zelfs gesprekken met Taiwan gevoerd, aldus een woordvoerder van het bedrijf, maar waarover die gaan wil hij niet kwijt. De werknemers, de ondernemingsraad van RDM en de vakbonden zitten na het Franse besluit weer op het vinkentouw. Want omschakeling op civiele produktie van zo'n grote werf, zoals de regering graag wil, is geen eenvoudige opdracht.

Voor een deel van de produktiecapaciteit zijn er orders binnengesleept voor staalconstructies, een brugdeel en renovatie van gasopslagtanks voor Shell-Nederland. Maar dat heeft nog niet de omvang bereikt die de werf nodig heeft, en een nieuwe order voor onderzeeërs zou RDM daarom zeer goed uitkomen. De produktie van de serie Walrus-onderzeeërs voor de Koninklijke Marine zal midden volgend jaar voltooid zijn en dan ontstaat er dringend behoefte aan meer werk. Tot de afdeling Marinebouw behoren 500 werknemers, waarvan een aantal naar andere afdelingen is overgeplaatst en een ander deel betrokken blijft bij het onderhoud en de reparatie van marineschepen.

Begin dit jaar werd duidelijk dat de RDM geen toestemming zou krijgen voor een vervolgorder voor Taiwan, die dit land in de jaren '80 al plaatste. In 1986 en 1987 had de Schiedamse werf Wilton Fijenoord, die zich in 1984 had losgemaakt van Rijn-Schelde Verolme, twee onderzeeërs voor de Taiwanese Marine van het type Sea Dragon afgeleverd. In 1980 had de regering al kenbaar gemaakt dat het hier om een eenmalige zaak ging, omdat Nederland de Volksrepubliek China had erkend, met Peking diplomatieke betrekkingen had aangeknoopt en de visie van China accepteerde dat Taiwan een opstandige provincie was. Leverantie van strategische goederen aan dit economisch welvarende enfant terrible wordt nog steeds als een vijandige daad jegens Peking gezien. Aleen terwille van de werkgelegenheid maakte het kabinet-Van Agt destijds een uitzondering.

Later probeerde Wilton Fijenoord het nog eens, maar met negatief resultaat. Economische Zaken zag wel mogelijkheden, maar Buitenlandse Zaken verzette zich sterk, en met succes. De betrekkingen met China mochten niet geschaad worden. Toch stelde RDM, de werf die intussen de scheepsnieuwbouw van Wilton had overgenomen, vorig jaar weer een poging in het werk, omdat intussen was gebleken dat China zou gedogen dat Frankrijk onbewapende fregatten aan Taiwan zou leveren. Dit keer werd overwogen onderdelen (“rompen of delen daarvan”) voor de onderzeeërs aan Taiwan te leveren, en eventueel het hele produktieproces op het eiland te laten plaatshebben.

Weer mislukte de aanvraag, maar regering en Tweede Kamer stelden wel opnieuw de voorwaarde aan China dat daar veel meer Nederlandse export naar China tegenover zou moeten staan. Minister Andriessen reisde in mei naar Peking en kwam terug met een handvol orders, waaronder negen Fokkers, maar nog steeds zijn de meningen sterk verdeeld over de betekenis van de andere orders. Staatssecretaris Van Rooy moest tijdens haar recente bezoek aan Peking de Chinese autoriteiten nog eens herinneren aan de afspraak dat de Nederlandse export structureel zou worden opgevoerd. Concrete resultaten boekte zij overigens niet.

RDM kan nog steeds Sea Dragons voor Taiwan bouwen. Op de vraag aan de woordvoerder of het bedrijf dat het liefst in Rotterdam zou doen, antwoordde hij bevestigend. Behoud van eigen produktiekracht en van de werkgelegenheid blijft voorop staan. Maar het lijkt wel duidelijk dat RDM ook geïnteresseerd blijft in het leveren van onderdelen of eventueel produktie in Taiwan.

Bij die laatste mogelijkheid zou niet eens meer een exportvergunning nodig zijn voor het verkopen van het ontwerp van de Sea Dragon aan Taiwan, want de tekeningen zijn al in handen van de Taiwanese Marine. Maar wel zou het bedrijf interessante zaken kunnen doen door zijn technische kennis van het produktieproces, gebaseerd op een lange ervaring, te verkopen en gespecialiseerde werknemers ter beschikking te stellen voor begeleiding van de bouw ter plaatse. Daarvoor zou de Nederlandse regering toch toestemming moeten geven.

RDM zal onder de nu sterk gewijzigde omstandigheden zeker opnieuw bij de regering en de Tweede Kamer informeren naar mogelijkheden voor een exportvergunning. Steeds moeilijker wordt het, zo verluidt in Rotterdam, om de werknemers met overtuigende argumenten duidelijk te maken dat zo'n aanvraag niet valt te honoreren.

    • Theo Westerwoudt