Edelstenen

Ik ga nasi goreng halen bij de Chinees. Je kent dat gerecht wel: wat rijst, wat vlees en een gebakken ei erover. Als je geen tijd hebt om te koken is het lekker en goedkoop.

Het is een uur of vijf 's middags. Er zitten nog geen mensen aan de tafeltjes. Ook het meisje dat mij altijd helpt is er niet. Zou ze even in de keuken zijn?

Ze blijft maar weg. Wat moet ik tot ze weer terug is hier in vredesnaam doen? Ik draai mij om. Ineens zie ik tegen een zijmuur een aquarium staan. Pas gekocht? Het ding is mij nog niet eerder opgevallen.

Het zit vol met mooie tropische vissen, een en al kleur en tekening op hun rug en buik. Witte en zwarte strepen, geel, blauw en het felste paars. En waar komen al die luchtbelletjes vandaan?

Op de bodem ligt een kistje. Het gewelfde deksel is opengeklapt. Er liggen parels in. Gek dat die ook onder water kunnen glinsteren. Uit die rijkdom stijgen luchtbellen op, in een nooit stoppende reeks. Kijk, een paars visje raakt er een, het juweel van lucht spat uit elkaar!

Ik zie wel hoe het komt. Door een slangetje wordt lucht gepompt en dat is aan het kistje vastgemaakt. Maar wat maakt dat uit? Er is haast geen verschil meer tussen de harde parels en de luchtige edelstenen. Het lijkt of de parels hun gewicht hebben verloren.

Het is zelfs of de vissen uit de schatkist komen. Het zijn zwemmende edelstenen. Robijnen met een staart, diamanten met oogjes en dat klompje goud daar heeft twee vinnen.

“Wat zal het zijn vandaag?” vraagt ze. Ik heb haar niet horen aankomen. Ze staat vlak achter me.

“Die vissen bak je toch niet,” zeg ik. Het klinkt een beetje flauw, maar ik weet zo gauw niet wat ik tegen haar moet zeggen.

“Kijk nou eens goed naar die luchtbellen,” zegt ze. “Ze spatten alle kanten op, net als m'n klanten die eten komen halen. Want het restaurant mag dan klein zijn, mijn tafels staan in de hele stad.”