Echo's van Louis Armstrong; Toni Morrison herleest Amerikaanse klassieken

Toni Morrison: Playing in the Dark, Whiteness and the Literary Imagination. Harvard University Press, 91 blz. Prijs ƒ 40,75.

Toni Morrison is een van de belangrijkste Amerikaanse romanschrijvers, maar een carrière als literatuurwetenschapper zou haar ook niet misstaan hebben. Onlangs verscheen Playing in the Dark, een klein literair-kritisch boek met als ondertitel "Whiteness and the Literary Imagination'. Morrison onderzoekt hierin de gevolgen van de eeuwenlange aanwezigheid van zwarte mensen voor de Amerikaanse literaire cultuur en voor het beeld dat blanke Amerikanen van zichzelf hebben. Het gaat haar niet om het aanwijzen van literair racisme of anti-racisme. Het gaat haar ook niet om het ontmoedigende effect van literaire raciale stereotiepen op zwarte mensen. Morrison probeert een andere stap te zetten. Als een tekst een droom is, is het onderwerp van de droom de dromer zèlf. Wat zeggen beelden van zwarten dus over de blanke auteur die ze opschreef, over de fantasieën van de witte cultuur? Wat was het effect van het hebben van slaven op het zelfbeeld van de meester?

Morrison heeft een wonderlijk open aanpak. Ter inleiding vertelt zij hoe zij haar onderwerp ontdekte, tijdens het lezen van de geruchtmakende bekentenisroman Les mots pour le dire (1975) van de Franse schrijfster Marie Cardinal. Dat boek gaat over een psychische ineenstorting, een langdurige psycho-analyse en het uiteindelijk herstel van Cardinals fictief-autobiografische "ik'. Cardinal wordt voor de eerste keer door de waanzin overvallen tijdens een concert van Louis Armstrong: een van Armstrongs scheurende trompetsolo's grijpt haar zo aan dat ze hyperventilerend de straat oprent, roepend "Ik ga dood!' Waarom gebeurt het daar, bij die zwarte muziek, vraagt Morrison zich af, en hoe komt het dat noch Cardinal zelf, noch haar analyticus, noch de verzamelde commentatoren op Les mots ooit betekenis hebben gegeven aan die zo belangrijke, specifieke plek waar de waanzin voor het eerst losbrak?

Tijdens haar psycho-analyse herbeleeft Cardinal haar jeugd. Zij blijkt zeer getraumatiseerd door de dubbele boodschap die witte kinderen in koloniale samenlevingen krijgen: laat je verzorgen en beminnen door zwarte bedienden , maar houd ze tegelijk minachtend op afstand. Het is Armstrongs solo die dat diep verdrongen conflict weer oprakelt.

Morrison illustreert hiermee dat zwarte mensen in witte literatuur bijna altijd de cruciale omslagen in het verhaal markeren. Het "zwarte' is in witte teksten vaak beladen met extra betekenissen, die zowel positief als negatief kunnen zijn. Die betekenissen negeren - het verlegen doodzwijgen van raciaal-geladen elementen in witte literatuur, of het plichtmatig noteren van de stereotypie van de Jim-figuur in Huckleberry Finn om dan over te gaan naar het "eigenlijke' werk - vindt Morrison een vorm van lobotomie. Zij illustreert dat met een fraaie analyse van Willa Cathers laatste roman, Sapphira and the Slave Girl (1940) die algemeen als mislukt wordt beschouwd. Door dat etiket kan die roman gevoeglijk gesoleerd worden van Cathers "eigenlijke' oeuvre, en hoeft men er zich ook niet mee bezig te houden. Maar waarom is Sapphira mislukt? Morrison laat zien hoe het ras-probleem het boek ondermijnt. Het is een historische roman - van een witte auteur - over een invalide witte vrouw die uit jaloezie de verkrachting beraamt van de dochter van haar slavin. De regels van de "slavocratie' eisen dat de zwarte moeder blindelings loyaal is aan haar witte meesteres, niet aan haar eigen bedreigde dochter. Dat is voor een twintigste-eeuwse lezer zo wreed en onwaarschijnlijk, dat het onmogelijke karakters en verwikkelingen oplevert. De reeks verzoeningen waarmee het boek eindigt zijn té bizar. Zo demonstreert het boek de pressie die "ras' op het literaire plot uitoefent.

In een reeks van goed geschreven analyses (van Twain, via Poe, tot en met Hemingway) exploreert Morrison op overtuigende wijze de literaire vormgeving van de Amerikaanse rasverhoudingen. Haar vasthouden aan de gevestigde visie op de Amerikaanse literaire canon is misschien wat al te gemakkelijk. Ook miste ik een verwijzing naar de beroemde studie Love and Death in the American Novel (1960) van Leslie Fiedler, die zulk fundamenteel onderzoek deed naar de interraciale mannenvriendschap in de Amerikaanse literatuur. Maar Morrison schrijft als creatief auteur: zij lanceert eerder een reeks prikkelende ideeën dan dat zij volledigheid nastreeft. Playing in the Dark vraagt vooral om lezers die verder denken over haar suggesties. Één van die suggesties is, dat veel Amerikaanse klassieken eindigen met "beelden van verblindende witheid' (uitgestrekte besneeuwde bergen, een ijsvlakte, een witte boot, de toppen van de Kilimanjaro) in combinatie met beelden van zwarten of indianen die dood, impotent of volledig onderworpen zijn. Geschoold in de deconstructie - volgens welke de tekst een slagveld van tegenstrijdigheden is - ziet Morrison hier een dubbele boodschap in. Aan de ene kant lijken deze beelden van witheid een verpletterend tegenwicht tegen de zwarte schaduwfiguur te willen zijn, maar ze lijken ook te zeggen dat witheid alléén zonder betekenis is, improduktief, bedreigd, steriel, bevroren, zinloos.

Wie nu kopschuw wordt van "deconstructivistische leeswijze' kan ik geruststellen: in Morrisons handen wordt het deconstructivisme een voor ieder verstaanbare manier van lezen, die recht doet aan de tegenstrijdige en de onbewuste krachten in het literaire werk. Playing in the Dark is erudiet, rijk aan ideeën en prachtig geschreven. Het schetst een literair-analytisch programma, en opent de weg naar de (her)interpretatie van Amerikaanse - en andere - klassieken.