Dit jaar ruim 700 illegale werknemers gelegaliseerd

DEN HAAG, 20 NOV. Het ministerie van justitie heeft dit jaar 700 à 800 illegale buitenlandse werknemers een verblijfsvergunning verstrekt. Dat gebeurde op basis van vijf criteria die eerder zijn afgesproken met het Nederlands Centrum voor Buitenlanders in Utrecht.

Twee van de voorwaarden zijn dat de buitenlander gedurende langere tijd in ons land heeft gewerkt en dat voor hem sociale premies zijn afgedragen. Het VVD-Kamerlid Wiebenga acht een grootscheepse legalisatie onaanvaardbaar en zal de staatssecretaris om opheldering vragen.

Bij bureaus voor rechtshulp en een enkel advocatencollectief in Den Haag zijn in de eerste maanden van dit jaar al duizenden dossiers aangelegd van illegaal in Nederland verblijvende buitenlandse werknemers. Zij menen allemaal in aanmerking te komen voor een vergunning tot verblijf (VTV). Volgens de Haagse advocaat mr. M. Mons is het ministerie van justitie vanaf het najaar l991 achter de schermen op grote schaal bezig met een nieuwe - officieuze - regularisatieregeling.

Staatssecretaris A. Kosto van justitie ontkende dat deze zomer nog, in antwoord op vragen uit de Tweede Kamer. Een woordvoerder van het Nederlands Centrum voor Buitenlanders (NCB) in Utrecht spreekt echter van 2000 verzoeken die aan Justitie zijn voorgelegd. En hiervan zijn inmiddels iets meer dan duizend afgewezen, maar tussen de 700 en 800 personen kregen wel een vergunning.

“Verreweg de meeste aanmeldingen komen van werknemers in de tuinbouw. De horeca en de schoonmaakindustrie zijn de andere bedrijfstakken met honderden illegale werknemers die in aanmerking willen komen voor een vergunning”, zegt mr. A. Kuyer van het NCB.

Het centrum speelde een grote rol bij de recente legalisatie van honderden buitenlanders. De basis voor deze "witwas-regeling' werd vorig jaar gelegd. Het ministerie van justitie verzocht het NCB na te gaan welke criteria zouden moeten gelden om illegale werknemers die wegens de strenge criteria bij de regularisatie van 1980 achter het net visten, alsnog een vergunning tot verblijf te verstrekken.

Het overleg resulteerde in een tijdelijke, bijzondere maatregel, die in het najaar van 1991 op kleine schaal werd bekendgemaakt, evenwel niet officieel door het ministerie van justitie. De nieuwste "witwas-regeling' bepaalde dat iemand ca. 6 jaar of meer in Nederland moest hebben gewoond, hiervan lange tijd "wit' moet hebben gewerkt (d.w.z. premies afgedragen, belasting betaald). Verder mag hij zich niet schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten of ooit als illegaal het land zijn uitgezet. Ook het hebben van "een band met Nederland' - bijvoorbeeld wanneer vrouw en/of kinderen hier wonen, vergroot de kans op een gunstige beslissing.

Mr. Mons constateerde bij de afhandeling van de aanvragen al spoedig dat er sprake was van “onaanvaardbare willekeur”. Sommige Kamerleden bleken de gang van zaken inmiddels te kennen en in juni al wilde mr. G.J. Wolffensperger (D66) van de staatssecretaris weten welke uitgangspunten of criteria hij nu precies hanteerde. Kosto antwoordde begin september dat er geen specifieke voorwaarden of criteria bestaan bij de beoordeling van verzoeken om toelating van langdurig in Nederland verblijvende illegale werknemers.

Hij verklaarde zich wel bereid in individuele gevallen de verblijfspositie van vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel met bijzondere aandacht voor de humanitaire aspecten te bezien. Ook tijdens de "illegalen-briefing' van de PvdA, zaterdag 14 november in de Nieuwe Kerk te Den Haag, zei Kosto dat “illegalen met een respectabel arbeidsverleden welwillend door Justitie zullen worden beoordeeld”. Maar van een generaal pardon kon geen sprake zijn, aldus Kosto.