Dierenliefde

Pija Lindenbaum: Het boek over Bodil. Uitg. Querido. Prijs ƒ 22,90. Alex Randolph en Fabio Visintin: Speurneus Nosy en de Vreselijke Vier. Uitg. C. de Vries-Brouwers. ƒ 24,90. Helme Heine en Ernst van Altena: Tien malle muizen. Uitg. Gottmer. ƒ 24,50. Catherine Walters: Max en Minnie. Uitg. C. de Vries-Brouwers. ƒ 22,90. Jon Blake/Axel Scheffler: Koosje K. Uitg. Van Holkema & Warendorf. ƒ 22,50.

Sonja Barend ging er afgelopen zaterdag eens goed voor zitten. Eindelijk weer eens een echt taboe-onderwerp! Ten overstaan van een gniffelende zaal mocht zij bioloog Midas Dekkers aan de tand voelen over zijn nieuwste boek Lief dier, waarin het verschijnsel bestialiteit uitvoerig wordt belicht. En inderdaad, Dekkers schroomde niet, om het zo maar te noemen, de koe bij de horens te vatten, maar daarnaast maakte hij duidelijk dat ook de "legitieme' liefde van de mens voor het dier vaak een erotische inslag heeft.

Het begint al in de wieg. Een béétje baby wordt omringd door allerlei schattigs van zacht pluche, compleet met pootjes en staartjes, en een jaar of wat later hobbelt hij op de kinderboerderij geestdriftig achter lammetjes en geitjes aan. De kinderliteratuur haakt gretig in op deze onbedwingbare dierenliefde: vooral peuters en kleuters vormen in dit opzicht een dankbaar publiek. En dus maken in veel prentenboeken dieren de dienst uit, waarbij de makers kunnen putten uit een rijk aanbod van dierfiguren. Maar bijna altijd zijn ze uitgerust met typisch menselijke eigenschappen en soms dragen ze zelfs kleren. Zijn "gewone' beesten, die niet kunnen praten en denken, niet interessant genoeg of zijn het de schrijvers die de te kort schieten?

In Het boek over Bodil portretteert Pija Lindenbaum zo'n gewoon beest. Bodil is een vadsige bull-terrier die overdag geen poot uitsteekt en 's avonds even tot leven komt alvorens ze zich weer in haar luie stoel nestelt. Dat is alles. Een saai beest in een saai verhaal-op-rijm, dat het zou moeten hebben van de stijl en de illustraties. Helaas gaat de vertaling van Jan Kuijper nogal eens gebukt onder een Sinterklaasvers-achtige houterigheid ("Wanneer de avond valt,/ de zon vergeet te schijnen,/ dan zal de zin in spelen/ bij Bodil wel verdwijnen') en de gestileerde, overwegend in smaakvol grijs en wit uitgevoerde tekeningen bieden evenmin tegenwicht tegen de saaiheid. Al zou je kunnen zeggen dat vorm en inhoud hier in ieder geval één zijn.

Minder chic maar ook minder saai is - hoe kan het ook anders met zo'n titel - Speurneus Nosy en de Vreselijke Vier. Nosy, een soort muis, maakt jacht op vier soortgenoten, genaamd Vreselijke Een, Vreselijke Twee, Vreselijke Drie en Vreselijke Vier, die bij inbraken zo rigoureus te werk gaan dat ze zelfs een aan de muur geprikt popidool van zijn gitaar beroven. Opvallend zijn de geestige, gedetailleerde tekeningen van Fabio Visintin, die een beetje doen denken aan het werk van Joost Swarte.

Het aardige Tien malle muizen van Helme Heine ("met versjes van Ernst van Altena') is gebaseerd op het Tien-kleine-negertjes-principe en zodoende sneuvelt in dit boek de ene na de andere muis. Gezamenlijke activiteiten als muziek maken en kliederen met verf eindigen steevast in een drama, zodat de vrolijke aquarellen bij nadere beschouwing gruwelijke details blijken te bevatten: onder de klep van een vleugel steekt een muizepootje uit en op een wc-bril treffen we een piepklein mutsje aan. Maar ook al voorzag Heine alle muizen van kleertjes en beheersen ze vaardigheden die niet des muis zijn, het in de eerste plaats op voortplanting gerichte muizeninstinct verloochent zich niet, waarmee het verhaal een cyclische vorm krijgt.

Nog meer muizen, maar dan als mogelijke prooi, in Max en Minnie van Catherine Walters. Twee weldoorvoede stadspoezen die zelfs nog nooit een muis hebben gezien gaan op jacht, om na de nodige rampspoed ("Haar mond zat vol met groene slijmerige kikker. (-) Het was erg vies.') te ontdekken dat ze maar beter thuis hadden kunnen blijven, bij het haardvuur en de gekookte kippelevers. In tegenstelling tot de tekenstijl van Helme Heine is die van Walters fotografisch precies en daardoor nauwelijks persoonlijk: het soort poezen dat zij tekent komen we regelmatig tegen op dienbladen en koektrommels.

Het lekkerste bewaren we voor het laatst: Koosje K. van Jon Blake en Axel Scheffler. "Geestig prentenboek over een konijn met een identiteitscrisis!" beveelt de uitgever het ons aan, en daarmee is nu eens geen woord te veel gezegd. Koosje K. is onmiskenbaar een konijn, maar zijn instinct laat het wat dat betreft lelijk afweten. Is hij een aap? Een koalabeertje? Of een stekelvarken? Koosje K. heeft geen flauw idee; er moet een moordzuchtige wezel aan te pas komen om hem op zijn ware identiteit en de functie van zijn grote achterpoten te wijzen. Waarmee dit vertederend dom ogende beest door zijn soortgenoten tot held wordt uitgeroepen. Held? Koosje begrijpt er niets meer van. Hij was toch een konijn?