De plagiaatjager

Plagiaat is altijd een drama voor drie personen: de plagiator, de ontdekker en de bestolene.

Laatstgenoemde is, zoals de meeste slachtoffers van misdrijven, het minst belangwekkend. Daarna raakt de ontdekker in het vergeetboek. De paradox van het plagiaat is dat de dader, op andermans kosten, het langst voortleeft. Zoals de variant op het bekende gezegde luidt: Wie overschrijft blijft. Vandaar ook dat men zich het meest verdiept in de psychische mechanismen die tot het plagiaat leiden. Het gevolg daarvan is weer dat degene die heeft overgeschreven nog veel langer blijft. Hij wordt van mens tot geval, en dat is geen wonder. Plagiaat is een vrijwillige, zelf uitgevoerde hersentransplantatie, of sterker nog: een persoonlijkheidstransplantatie. Terwijl de plagiator overschrijft, de bewegingen van het overschrijven maakt, kijkt hij al in de hersenen van zijn voorkeur. Zijn eigen denkorgaan heeft hij daarbij afgedankt, althans tot knecht gemaakt. Is het werk gedaan dan neemt hij zijn eigen persoonlijkheid weer aan, die, voorzover hij aan zijn plagiaat bezig was, niet meer bestond.

Dat is de volgende paradox: zijn persoonlijkheid bestaat dan alleen uit de kennis van het geheim van zijn toen niet bestaande persoonlijkheid. Hij heeft zichzelf gereduceerd tot het geheim van zijn leegte, of zijn zelfontkenning, dat komt nagenoeg op hetzelfde neer. Hoe komt men daartoe?

Dit is een meeslepend proces. Iedere diefstal op zichzelf is al een boeiende gebeurtenis (bij mijn weten het best beschreven door Simon van het Reve in De Avonden, in de passage waarin Frits zijn vriend Maurits ondervraagt over diens diefstallen uit de kleedhokjes in het zwembad), maar daarbij gaat het nog altijd om niet meer dan zelfverrijking ten koste van een ander. Plagiaat is de enige vorm van zelfverrijking ten koste van het zelf, zij het langs de hierboven beschreven omweg. Daarover raakt men niet uitgepraat. Het gevolg daarvan is dat een op z'n minst even interessante partij in de schaduw blijft: de plagiaatjager.

Hoe wordt iemand plagiaatjager? Door toeval. De jager, nog niet wetend dat hij jager is, leest een boek en denkt opeens: deze zin komt me bekend voor. 't Zal toeval zijn. Hij leest verder en opnieuw ervaart hij deze sensatie van déja lu. Hij loopt de planken van zijn geheugen af, pikt er een boek uit, gaat naar zijn boekenkast, neemt hetzelfde boek ter hand en begint te bladeren. Een goede plagiaatjager heeft een geheugen dat hem de context vertelt en daarbij ook een typografische en anderszins meetbare plaatsbepaling geeft; anders gezegd de coördinaten. Hij weet dus ongeveer op welke pagina hij moet zoeken en op welke regel. Dan komt de schok van de triomf. Het klopt! Daar is overgepend! Hiermee is de jachtlust pas goed ontwaakt. Hij vindt meer, hij raakt er danig van in opwinding. Wie plagiaat ontdekt is daarmee in het bezit van een wetenschap die uitdijt zonder dat er iets aan hoeft te worden toegevoegd: hij wil bekend maken. Maar waarom? Is het zijn drang naar rechtvaardigheid? Wraaklust misschien? Hang naar het spelen van een grote rol? Of gewoon wat iedere jager drijft: de onbedwingbare lust tot schieten.

Een gecompliceerde zaak; op een andere manier wel even gecompliceerd als die van de tegenpartij, de prooi. Ik herinner me de eerste keer dat ik een plagiaat ontdekte. Een essayist had het een en ander van Menno ter Braak overgeschreven, niet letterlijk maar in een parafrase. Het was meer een geval van "hyperloyaliteit' (P.J. Vinken) dan van regelrecht overschrijven. Mijn aanstaande prooi kon het niet helpen. Ik heb er toen toch melding van gemaakt. (Opmerkingen over de chaos, blz. 41, Amsterdam 1964). De tweede keer was het een reisgidsenschrijver die zo brutaal in andermans werk tekeer was gegaan dat weldra iedereen die met zijn gidsen door Italië reisde over bewijzen van zijn overschrijflust struikelde. De derde keer was het een historicus. Dat heb ik geheim gehouden, ik had er geen zin in de man erbij te lappen hoewel hij kras had geplunderd.

Intussen zijn we nog niet van de verbazing over de ene plagiator bekomen of de volgende jager met buit dient zich aan. Wat zouden wij - ik bedoel degene die dit leest zowel als schrijver dezes - hebben gedaan als wij in de schoenen van de jager hadden gestaan?

Ik weet het niet. Je moet zelf de ontdekking hebben gedaan om erover te kunnen oordelen. "Nog liever was ik smokkelaar dan grenskommies te zijn', zei mijn moeder. Dikwijls heb ik gedacht: die wijsheid is toereikend; maar nu niet. Wankelmoedig neem ik afstand: ik ben blij dat ik niet in de schoenen van de jagers sta.