De nationale ambitie

IN HET TIJDPERK van de Verloren Vijand balanceert een minister van defensie steeds gevaarlijk in de buurt van Catch 22: het volk en de minister van financiën wensen het vredesdividend te incasseren en de militairen verlangen bestaanszekerheid. Beide verlangens zijn authentiek en oprecht en tussen beide verlangens kan een minister gemakkelijk beklemd raken.

Wat voor krijgsmacht heeft Nederland nodig? Wat voor krijgsmacht wil Nederland? Dat zijn vragen van grote politieke reikwijdte en het antwoord is verre van gemakkelijk. In de Koude Oorlog had Nederland als NAVO-partner ongeveer zijn aandeel afgebakend. De taken waren verdeeld, met een zone in de Noordduitse laagvlakte en maritieme routes in de noordelijke Atlantische Oceaan. Afhankelijk van de dreiging, de stand der techniek en het gevoel van urgentie kochten Westerse landen het ene jaar wat meer en het andere wat minder materieel om de afweer tegen het Warschaupact geloofwaardig te houden. Toen was er zoiets als een existentiële noodzaak.

Maar die is uit het zicht verdwenen. Existentiële noodzaak maakt plaats voor politieke ambitie. De Nederlandse regering wil aan operaties in verre (Cambodja) en minder verre (ex-Joegoslavië) landen kunnen deelnemen. Voorts wil zij vermijden dat de internationale defensie-structuren verkruimelen en elk Europees land weer zijn eigen en onafhankelijke defensie inricht. En ten slotte wil Nederland net als andere landen dat de defensie inkrimpt.

AAN DIT eisenpakket past minister van defensie Ter Beek de krijgsmacht aan en hij doet dat met een creatief concept. De bi-nationale landmacht met een wisselend Nederlands of Duits commando ligt nog in het verlengde van de NAVO-afspraken, de Nederlandse marine als een soort "Atlantisch venster' voor Duitsland is voor de marine waarschijnlijk een cultuur-shock. De marine was vooral met de Britten verbonden. Het is in elk geval een geheel ander type bondgenootschappelijke verankering dan wat Nederland tot voor kort in de NAVO gewend was. Het is de strategische vertaling van de feitelijke politieke veranderingen in Europa.

Natuurlijk gaat het niet alleen om politieke concepten. Een minister van defensie wordt ook door 115.000 paar argwanende ogen van zijn personeel beloerd. Hij is koortsachtig op zoek naar een raison voor omvang en soort krijgsmacht. Hoeveel F-16's, hoeveel fregatten, hoeveel onderzeeërs? Dat is een hachelijk spel, want dat is helemaal afhankelijk van de politieke ambities van dit land. Bij de Golf-oorlog bleken die met een paar fregatten op veilige afstand nogal beperkt, maar anderzijds laat de Tweede Kamer ook steeds blijken dat zij de militaire slagkracht niet tot Belgisch of Deens niveau wenst te zien dalen. Maar hoe serieus meent iedereen dit? Wat is doordacht of wat is louter emotie? Voor Ter Beek staat vast dat internationale afspraken en verplichtingen tot meer garanties op een wat langere termijn kunnen leiden, zodat de defensie niet jaarlijks als doelloos dobberende grabbelton voor collega-ministers hoeft te dienen.

REALISTISCH IS het om de dienstplicht af te schaffen. Dienstplicht als smeermiddel voor een inkrimpende landmacht is enigszins bizar, en er moeten andere mogelijkheden zijn om “mensen niet te vermorzelen” (om de vermanende woorden van landmacht-baas Couzy aan te halen). Bovendien heeft het parlement keer op keer tot uitdrukking gebracht dat dienstplichtigen niet tegen hun zin voor politieke ambities, dat wil zeggen voor militaire optredens ver van huis, horen te worden ingezet. Daarmee valt het doek voor de dienstplicht, hoezeer dat ook de landmacht als krijgsmacht-onderdeel onevenredig dupeert.

Ter Beek krijgt het met zijn plannen niet gemakkelijk. Het concept van de complementariteit van krijgsmachtdelen uit Nederland en Duitsland mag dan logisch en consequent zijn, toch is het ook een betrekkelijk eenzame operatie. Kan een minister van defensie een nota schrijven in een land dat zijn ambities niet heeft geformuleerd? De krijgsmacht zelf schiet wegens de inkrimpingen op haar bewindsman en de politiek staat erbij en kijkt ernaar.

DE MINISTER van buitenlandse zaken mag met zijn collega van defensie soms interessant van mening verschillen over de Atlantische en Europese accenten van het Nederlandse veiligheidsbeleid, maar dat kan betrekkelijk vrijblijvend geschieden omdat Van den Broek niet de last van een krijgsmacht-in-identiteitscrisis op zijn schouders heeft. En de rest van het kabinet, dat wil zeggen premier en vice-premier, hebben weinig affiniteit met veiligheidsconcepten. Zij kijken vooral naar rust en onrust, naar de sociale geleidelijkheid en de scherpe kanten, en natuurlijk naar de centen.

En zo geschiedt het dat een Nederlandse minister van defensie betrekkelijk eenzaam moet tobben met èn praktisch invulling moet geven aan de zo wezenlijke vraag naar plaats en rol van Nederland in Europa na de Koude Oorlog. In het Tijdperk van de Verloren Vijand lijkt de minister van defensie dan ten slotte in de aanval te gaan. Temidden van argwanende troepen en kritische toeschouwers is het geen benijdenswaardige taak, maar in elk geval weet minister Ter Beek nu wat hij wil en levert hij een eerste nuttige, niet-vrijblijvende bijdrage aan een nieuw Nederlands veiligheidsbeleid.