De aard van de liefde tussen mens en dier; Lieve stofzuiger

Seksuele relaties tussen mensen en dieren blijken aanmerkelijk minder zeldzaam dan fatsoens- halve wordt aangenomen; in de meeste religies komen aan de oorsprong en de voortplanting der goden zelfs hele dierentuinen te pas. In een onlangs verschenen boek verdedigt Midas Dekkers de stelling dat bestialiteit voortkomt uit wat in onze cultuur "dierenliefde' wordt genoemd. Maar is dat eigenlijk wel zo?

Midas Dekkers: Lief dier. Over bestialiteit. Uitg. Contact, 224 blz. Prijs ƒ 34,50.

Hebben dieren een ziel?

Toen ik een jaar of tien was wendde ik mij met deze vraag tot de Godsdienstonderwijzer van de Zondagsschool. Nee, antwoordde deze Catecheet, dieren hebben geen ziel.

- Betekent dat dat het gewoon afgelopen is als ze doodgaan, dat er niets van ze overblijft? Dat betekende het.

Het was door dit antwoord dat ik tot het inzicht kwam dat het dan met onszelf niet anders kon zijn: wat voor de dieren gold, gold natuurlijk ook voor mensen; het sterkte mij in het vermoeden dat het Christelijk geloof niet meer was dan een soort Sinterklaasverhaal.

Ook achteraf zie ik dat nog steeds als een kolossale onhandigheid in de Christelijke leer, die misschien minder weerstand op zou roepen zonder dat zelfgenoegzame, harteloze en onlogische detail, dat bovendien ook zo in strijd is met de intuïtie: als ik naar dieren kijk valt mij altijd op dat een ziel het enige is dat dieren juist wèl lijken te bezitten; wat ze missen - zoals taal en rede - is duidelijk, maar ze hebben wel iets anders en dat andere zou je spontaan omschrijven als een ziel. Het is het meest voor de hand liggende woord waar je naar grijpt om een naam te geven aan wat je in de omgang met een dier leert kennen, aan de voorstelling die je je maakt van zijn innerlijke roerselen, aan zijn essentie wanneer je in zijn afwezigheid aan hem denkt.

Het lijkt mij dat wie dat niet zo aanvoelt geen hart heeft: maar je zal ze de kost niet geven die dat niet doen. Bij sommige mensen komt het je al tegemoet bij de eerste stap die je in hun huis zet; je ziet het aan de voorwerpen waarmee ze zich omringen, aan wat er in de hal staat, aan wat er aan de muur hangt. Het betekent niet altijd dat ze geen huisdier hebben, maar je merkt het aan de manier waarop zij er over spreken en er mee omgaan - wat bij die mensen ontbreekt is iedere vorm van identificatie met het dier; omdat ze dat als kind niet hebben geleerd of omdat hun geloof of hun professionele benadering het hun belet.

Want afgezien van individuele gevallen is er ook een zekere voorspelbaarheid per groep: zo vindt men in die categorie niet alleen de vrome boer, maar ook tot mijn spijt menige bioloog - bijvoorbeeld van het soort dat niets op heeft met individuele dieren, alleen maar met "populaties'; deze instelling is vaak het gevolg van dat merkwaardige waandenkbeeld onder biologen, dat hun opvatting in overeenstemming is met het "objectieve' standpunt van "De Natuur'. Ieder ander standpunt is verwerpelijk; geen ruimte voor sentimenten, laat staan identificatie, en al helemaal niet voor sentimenteel gedoe met hondjes en poesjes en kinderboeken met muisjes in rokjes, want dat geeft van de natuur "een vals beeld'.

Sport

Maar de natuur, zo heb ik wel vaker betoogd, bestaat niet, of is onkenbaar, wat op hetzelfde neerkomt, en alle beroepen er op zijn zonder uitzondering pogingen om cultuur voor te stellen als natuur. De kerk doet dat, maar niet alleen de kerk; ook de ethologie, de socio-biologie en de biologie in het algemeen maken er een sport van de voorstelling die zij zich van de natuur maken door te laten gaan voor de natuur zelf. En daarmee wordt die voorstelling onttrokken aan kritiek en verdere discussie, of dat is de bedoeling.

Ik betreur die instelling en heb het meermalen aan de stok gehad met mensen die haar in een of andere vorm aanhangen. Een daarvan is Midas Dekkers, die nu zojuist een boek heeft gepubliceerd over de meest verzwegen relaties die mensen met dieren kunnen hebben, namelijk seksuele (Lief dier. Over bestialiteit). Er is een zekere moed voor nodig om daar zo onbevangen over te schrijven als hij heeft gedaan en ik heb daar bewondering voor. Maar tegelijkertijd ben ik van mening dat Dekkers zich over de drijfveren van het gedrag op dit gebied op een fundamentele manier vergist.

Afgezien daarvan ben ik vol bewondering voor Midas Dekkers; hij schrijft vaardig, virtuoos en speels, met frappante vergelijkingen, puntige formuleringen en vooral vaart. In vindingrijkheid doet hij niet onder voor Roald Dahl, aan wie hij ook in andere opzichten doet denken. Hij is onovertroffen in het opdelven van de zonderlingste gegevens op biologisch gebied; zijn visie op dieren is onsentimenteel maar niet gevoelloos en sommige van zijn korte schetsen behoren tot de meest aangrijpende literatuur over dieren die ik ken. Wat daar tegenover staat is dat hij (net als Dahl) iets te vaak neigt naar het wrede en lugubere; hij heeft een akelige voorliefde voor sadistische details en kan zich met een treiterig plezier overgeven aan het ontluisteren van de menselijke liefde voor dieren.

Dat alles geldt ook voor dit boek en gezien de delicate aard van het onderwerp houd je je hart vast, niet in de laatste plaats voor de voortdurend op de loer liggende vulgariteit; maar afgezien van een enkele passage valt het mee. Wat indruk maakt is de geweldige gedocumenteerdheid van het boek, een imponerende prestatie, ook afgezien van de vele afdwalingen naar mens- en diergedrag die met het eigenlijke onderwerp niet veel meer te maken hebben, van allerlei zonderlinge seksuele gedragingen binnen de eigen soort tot thema's als kunstmatige inseminatie, orgaantransplantie, het gedrag van koeien tegenover melkmachines, tot en met de toebereiding van penis en vagina als culinaire lekkernij.

Slang

Seksuele relaties tussen mensen en dieren blijken aanmerkelijk minder zeldzaam dan de schaarste aan literatuur over dit onderwerp zou doen geloven. Dekkers citeert het Kinsey Report met 8 en 3,5 percent voor respectievelijk mannen en vrouwen die wel eens seksueel contact met dieren hebben gehad. Dat zijn dan wel Amerikaanse cijfers, maar het is duidelijk dat het verschijnsel ook elders veel minder ongewoon is dan fatsoenshalve wordt aangenomen. Dekkers laat zien hoe wijdverbreid het thema is in gedaantes waarin men er zich nauwelijks rekenschap van geeft. Zo komen in de meeste religies aan de oorsprong en de voortplanting der goden hele dierentuinen te pas. Wie herkent in "de kronkelende slang op het vignet van de huisdokter die mensenreddend het parkeerverbod negeert' de god Aesculapius, voor wie eens de vrouwen met slangen copuleerden? Het thema van Leda en de zwaan is in 25 eeuwen zo ingeburgerd dat deze combinatie er even aanvaardbaar uitziet "als een haas die eieren brengt". Ook biologisch was het een merkwaardige paring, "want hoewel de moeder een mens was, legde ze eieren. Twee stuks volgens de overlevering: uit het ene kwam Helena, uit het andere de tweeling Castor en Pollux.'

Ook in het Christendom is zwanger worden door tussenkomst van een vogel niet onbekend, al komen er geen eieren van en betreft het niet Zeus in de gedaante van een zwaan maar de Heilige Geest in die van een duif ("in ligchamelijke gedaante, gelijk eene duif'). Er is ook duidelijk sprake van bevruchting ("want hetgeen in haar ontvangen is, dat is uit den Heiligen Geest' Matth 1:20). Wat is het verschil? "Uit een maagd en een duif is Christus geboren; ook het Christendom is op bestialiteit gebouwd', concludeert Dekkers terecht.

Zo bevat Lief dier allerlei wonderbaarlijke details over de gedragingen van goden, dieren en mensen die ik hier verder niet zal beschrijven; waar het mij om gaat is dat Dekkers het voorstelt, zoals de titel van het boek al aangeeft, of de seksuele handelingen van mensen met dieren voortvloeien uit de (al of niet overdreven) liefde die mensen voor hun huisdieren koesteren.

Zo schrijft hij (in hoofdstuk 2): "Een mens valt op mensen. En als hij al eens op een dier valt, valt hij op hun menselijke trekjes. Niet het hondse in een hond trekt de hondeliefhebber aan, maar het mensige: trouw, dankbaar zijn, op de baas wachten, zonodig versterkt met behulp van kunstjes als opzitten en pootjes geven." Als gevolg van die "menselijke trekjes' kan de barrière die anders copulaties tussen mensen en dieren verhindert worden doorbroken. Deze maken dieren fysiek aantrekkelijker, zij leiden tot een verhoogde intimiteit en zo komt het tot seksuele handelingen. Bestialiteit komt voort uit wat in onze cultuur "dierenliefde' wordt genoemd.

Ik geloof daar niets van en het is ook in duidelijke tegenspraak met de voorbeelden die Dekkers zelf geeft. Het zijn juist dieren met minder van zulke menselijke trekjes, voornamelijk boerderijdieren, waarmee deze activiteit wordt beoefend. Niet troeteldieren, maar geiten, ezels, paarden, koeien en zelfs kippen zijn het die er aan moeten geloven. Het feit dat de Kinsey-cijfers voor het platteland veel hoger zijn (ca 50% - de ruimte ontbreekt om hier in te gaan op de verschillen tussen manlijk en vrouwelijk gedrag) spreekt alleen al boekdelen. Met menselijke trekjes heeft dat niets te maken, het is in de meeste gevallen vermoedelijk niet meer dan een soort mechanische masturbatiehulp; het volgende item in de opsomming is waarschijnlijk niet een dier maar de stofzuiger, die zoals uit vele medische faits divers blijkt ook vaak voor dit doel wordt gebruikt. De titel Lief dier is volgens mij even misplaatst als Lieve stofzuiger: niet intimiteit en liefkozingen zijn de bron van bestialiteit, maar juist afstand, onverschilligheid, al of niet vergezeld van sadisme. Het onvermogen tot identificatie, waar ik het eerder over had.

Status

En daarmee zijn we terug bij de sentimentele liefde voor hondjes en poesjes, de kinderboeken met muisjes in rokjes waar Dekkers en veel andere biologen zo het land aan hebben. Ik denk dat dat de manier is waarop in onze cultuur mensen mentaal in staat worden gesteld dieren niet als zielloze objecten te zien. Die verhalen over muisjes met rokjes gaan over kinderen, zij definiëren hun status en tegelijk die van de dieren; dieren hebben de status van kinderen, wij worden in staat gesteld van dieren te houden omdat ze passen in het vakje dat voor kinderen is gereserveerd. En daarmee profiteren de dieren van de inhibities waarmee de biologische, of in elk geval culturele evolutie ons jegens kinderen heeft uitgerust: ze geen kwaad kunnen doen, d.w.z. niet doden of pijnigen, de impuls te hebben ze te beschermen, ze te koesteren en ze te voeden - en ze niet als seksuele objecten te zien. Vandaar dat ik niet denk dat bestialiteit voortkomt uit "dierenliefde' en niet geloof dat "aaizucht, inprenting en superprikkels mens en dier in elkaars armen drijven', tenminste niet in de seksuele betekenis. Het zou een vorm zijn van incest; natuurlijk, incest bestaat, maar volgt een heel ander patroon dan Dekkers beschrijft.

Ik heb eens geschreven dat voor Midas Dekkers alle relaties van mensen met dieren alleen maar verdacht kunnen zijn (1). Zo schrijft hij in dit boek ook op een suggestieve manier over het feit dat het vooral vrouwelijke onderzoekers zijn die werken met mensapen. In mijn ogen illustreert het juist dat het die "sentimentele' visie is, die hondjes en poesjes en muisjes in rokjes, die zich ontwikkelt tot een humanitaire instelling jegens dieren en tot wetenschappelijke belangstelling. Waar Dekkers eigenlijk impliciet vanuit gaat is het begrip "tegennatuurlijk', al noemt hij het niet zo. Maar ik zei het al, de natuur bestaat niet.

(1) Zie "Het ecosysteem als theevisite', De onmogelijke liefde, 1988.